Het is nu vr okt 20, 2017 11:41 pm

Alle tijden zijn GMT + 1 uur [ Zomertijd ]




Plaats een nieuw onderwerp Dit onderwerp is gesloten, je kunt geen berichten wijzigen of nieuwe antwoorden plaatsen  [ 14 berichten ] 
Auteur Bericht
Bericht nummer:#1  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 7:55 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Pieter Jansz. Saenredam (1597-1665), ‘Interieur van de Sint Bavokerk in Haarlem’, 1628
(Philadelphia Museum of Art, Philadelphia, USA)


SAENREDAM


Ik zie hem in gedachten lopen
op zijn zelf getekende plavuizen
tussen de zandstenen pilaren
van zorgvuldig aangemaakte verf.

Elke lijn heeft hij precies berekend.
Zijn plattegrond telt duizend
priegelige maten, die met elkaar
het geheimzinnig perspectief bewaren

van zijn schilderij. Hij ziet ook mij –
dat kàn onder een dak dat zelfs
de hemel kan ontsluiten. Ziet mij
en weet: niet nodig dat ik sterf,

het is hier lichter dan daarbuiten.


Hans Dingemanse (°1969)


Floortje schreef:
Afbeelding

Bijna om niets


Al mijn woorden heb ik al opgedeeld
tussen jij en jou en jouw
meer kan ik niet doen

ik leg mijn handen op
het hakblok van je argwaan

ik roep de vogels aan
om bijval

de wind houdt zich afzijdig
maar goedmoedige wolken zeggen
dat het verdriet voorbij is.


Ellen Warmond
Naar men zegt (1955)


Lies schreef:
Afbeelding
Standbeeld van Laurens Janszoon Coster op de Grote Markt in zijn geboorteplaats
Haarlem



DE WAARHEID EN DE ENKELING


Zo stel ik mij dat voor:
hoe op een middag in het woud
rond Haarlem een eenzame
jongen een teken sneed
uit beukenhout en dit
liet vallen in het zand
zodat daarin een afdruk stond
zo duid'lijk als het teken zelf;
hij nam het op en
drukte het nogmaals af, op
andere grond, hetzelfde teken
en hoe hij zo de kunst uitvond
der menigvuldigheid die drukt
wat de enkeling weet voor duizenden
en iedereen wat waar is lezen kan.

Echter geldt ook het omgekeerde?
is wat iedereen leest ook waar?
Ik weet het niet, ik ben maar
een Stadse jongen die in de stilte van
de Olde Lantschap leerde
wat waarheid is: een afdruk van
die stilte in mijn ziel, en heb
daar speciale woorden voor.


Gerrit Krol, geb. 1934
uit: "Laatste gedichten"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Pieter Bruegel (1525-1569), ‘Landschap met de val van Icarus’, 1558 (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, Brussel)


Brueghels Ikarus


Vielt ge, lkarus? De landman snijdt de voor:
Hij heeft voor 't plassende geplons geen oor.

De visser op de rotswand houdt zijn plaats,
Vol winzucht zorgend om 't bewegend aas.

De vogel, naast hem op de tak, ziet uit,
Naar mooglijk aandeel in de vinnige buit.

De wind waait ginds fregat de zeilen bol,
Het volk heeft in het want de handen vol.

Alleen de meeuwen zwermend om u heen,
Merken 't verdwijnen van uw witte been.

Eén ziet omhoog: de man die schapen dreef,
Zag in de lucht iets vreemds en vraagt waar 't bleef.

Op heel de baai van Samos straalt de zon,
Die lkarus dacht naadren, maar niet kon.


Albert Verwey (1865-1937)


Lies schreef:
Afbeelding

PYGMALION


Wat men aanvankelijk begeert:
een levend beeld door eigen handen geboetseerd,
een talisman van warmte,
gemakshalve liefde genaamd.

En wat men dan uiteindelijk bezit:
niet eens zichzelf, niet eens een ander
mens, zo breekbaar als een mens en zo doorzichtig,

zo onbenaderbaar nabij en zo volkomen
zichzelf, dat men de klokken van
het eigen hart erdoor kan laten stilstaan.

En wat ons dan uiteindelijk ontvalt:
een woord, een traan, een druppel onbegrip,
die in een zee van eenzaamheid verloren gaat.

En wat men dan uiteindelijk behoudt:
een wens, een wildernis, woestijnen van tekort,
waardoor men beurtelings een ander en zichzelf
te veel en weer te weinig wordt.

En wat men toch uiteindelijk aanbidt;
bezeten hebben kan, maar nooit bezit:
een talisman van warmte,
gemakshalve liefde genaamd.


Ellen Warmond, geb. 1930
uit: "Persoonsbewijs voor inwoner"


Floortje schreef:
Afbeelding

Wat samen met mij wordt geboren


Ik zing van het gras dat samen met mij wordt geboren
op dit vrije moment, de fermenten bezing ik
van kaas, van azijn, de geheime
bloei van de eerste uitzaai. Ik bezing
het lied van de melk die, de uiers uit
wit valt in wit.

Ik bezing de groeisels van de veestal,
de verse mest van de grote koeien
met de geur waaruit zwermen
blauwe vleugels opvliegen, ik spreek
met de hommel en zijn honing, met de korstmos
en zijn geluidloze ontkiemingen:
als ononderbroken tamtams
luidt het komen en gaan en komen,
de overdracht van leven aan leven

en ik raak geboren, geboren, geboren
met al wat geboren wordt, ik ben één
met het groeien, met het gedempte krioelen
van alles wat om mij heen
zich voortzet in opeengepakte vochten,
in meeldraden, in tijgers, in sappen.

Ik behoor toe aan de vruchtbaarheid
en ik zal groeien waar de levens groeien.
Ik ben jong met de jeugd van het water.
Ik ben traag met de traagheid van de tijd,
ik ben puur met de puurheid van de lucht,
duister met de wijn van de nacht,
en onbeweeglijk blijf ik pas wanneer ik
zo mineraal ben dat ik zie noch hoor
en aan ontstaan en groeien
geen deel meer heb,

Toen ik het woud had uitverkoren
om van te leren hoe ik bestaan moet,
blad na blad.
heb ik nog meer lessen genomen,
en leerde wortel te zijn, diepe poel,
zwijgende aarde, glasheldere nacht
en langzaam meer en meer: het hele woud.

Pablo Neruda

Gedichten, Ambo tweetalige editie, Baarn,1993
Vertaling: Dolf Verspoor.


Simpel schreef:
Afbeelding

Boutade

O land van mest en mist, van vuil en kouden regen,
Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,
Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!

O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,
Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoon,
Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,
Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen
Tot modder; 'k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vree.
Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,
Gij – niet op mijn verzoek – ontwoekerd aan de zee.

P.A. de Genestet


Floortje schreef:
Prachtige foto Simpel, maar had je mijn roze wolkje niet even intact kunnen laten? :)


Truusje schreef:
    Afbeelding


Toen de dag was weggelopen

Toen de dag was weggelopen in het zachte
gras en de nacht haar jurk wellustig
neerspreidde, een sluier over de bloemen,
toen het donker was en de nachtegaal zong,
heb ik je ogen herkend overal om me heen

Nu is het avond: donker als altijd
wanneer de zon's handgewuif
vrolijk is ondergegaan, of als een waaier
is toegevouwen voor de hemel waar
vogels als een waterval zingen.

En zo stil als nooit ben ik langs de
paden van de tuin gegaan, lachend
tegen de nacht; zal ik zeggen hoe
droevig de geuren roken die langzaamaan
deinden op de wind als zeilschepen?

Hans Lodeizen
Uit ‘Het innerlijk behang’
Ill.: Max Beckmann, ‘Nachtgarten bei Cap Martin’, 1944

.


Truusje schreef:
Afbeelding


'Van licht is en met zingen begonnen de liefde'

Van meelij niet nee de dikbuikige hand
heeft het lichaam gemaakt
tot een stralende poort of een paard
tot een schroomvallig ei of een bijl
die ontluikt als een roos
maar van licht is en met zingen begonnen
de liefde

de liefde staat op en zij slaapt
en kan eten van lachen
en draagt soms een broek of een rok
maar naakt gaat zij vaak
raakt dan spoedig gewond
maar haar lijden is een razende komeet
erg traag trimmen en wassen
en zij geneest door een dans op
het zoetsmakende bloedvat

zij heeft ook een hand de liefde
een hand als een haven
daar laat zij haar duiven of raven mee los of
rooft ermee de retorische bovenruimte
of lost af op haar handen met andere
handen
en dan kijkt zij de liefde
en zij kijkt als door lippen
naar al de vage oogopslaggen
van het geluid en de traagheid der dingen
of ziet naar de strijd van de dagen
ontwaart ook het recht en het goud
en de schapen in wolfsvel

de liefde
reinigt de handen de ogen de lippen de oren
wees uit een barbaars bad de gekruisde muziek
en was
in aanzienlijke potten der perfektie en wees
helder en klinkend
de liefde

Lucebert
Uit Peter Hofman, ‘Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert’
Ill.: Lucebert, ‘De dichter voedt de poëzie’


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Bartholomeus van der Helst (1613-1670), Doodsbed van een kind, 1645


BIJ HET DOODSBED VAN EEN KIND


De aarde is niet uit haar baan gedreven
toen uw hartje stil bleef staan,
de sterren zijn niet uitgegaan
en 't huis is overeind gebleven.

Maar al 't geklaag en dof gesnik,
zelfs onder 't troostend koffiedrinken,
het kon uw stem niet op doen klinken,
noch licht ontsteken in uw blik.

Gij zult wel nimmermeer ontwaken,
want gij bleef roerloos toen de trap
zo kraakte bij de stille stap
des mans, die kwam om toe te maken.

Ziet, lieve menschen, 't is volbracht,
Wat gaan wij doen? Wij konden bidden,
dan blijf ik nog wat in uw midden,
gij krijgt toch wel geen slaap vannacht.

En heeft een uwer een ervaren
en hooggeleerd en vruchtbaar brein:
hij zegge mij of 't waar kan zijn
dat haar de wormen zullen sparen.


Willem Elsschot (1882-1960), Rotterdam, 1908


Truusje schreef:
Afbeelding


Tijd

Tijd is geen lijn, maar is een kring:
dezelfde zachte schemering
doet de dag open en weer dicht.
De laatste ster
geeft als eerste weer licht.

Willem Wilmink
Uit ‘Je moet je op het ergste voorbereiden’ (fragment)

.


Bomma schreef:
even checken.

Alleen andersmans gerenommeerd werk? Of zijn eigen 'werken' hier ook welkom???????
(om geen misverstanden te krijgen)


Simpel schreef:
Bomma schreef:
even checken.

Alleen andersmans gerenommeerd werk? Of zijn eigen 'werken' hier ook welkom???????
(om geen misverstanden te krijgen)

Serieus eigen werk lijkt me welkom, voor rijmelarijen kan beter een ander draadje geopend worden. Haiku's zijn nog weer een andere draad waard.

PS. Ik zoek me soms mottig naar een mooie prent bij een gegeven gedicht, maar een mooie tekst bij een mooie prent vinden is soms ook een kunst.


Truusje schreef:
Afbeelding


Als ik nu ga

als ik nu ga zal het zachter
zijn, in de wind, in de huizen
zal het hart zachter proeven aan
de zonnebloemen en aan de lange
stem die uit de kamer hangt
in de tuin vol nachtegaalgezang

als ik nu ga zal het minder
wreed in je schouder bijten en
ook plezier op je lichaam leggen
als veel fruit op een schaal als
als ik nu ga zal het regenen de
wind zal sprookjes weven in
de avond als ik nu ga zal
het zomer zijn voor het garen

maar ik lig nog aan je armen
verankerd in de haven van de
stad maar ik ben nog bij je
maar mijn stem glijdt nog over
je als een strijkstok maar ik
houd toch van je dat weet je
maar ik slaap nog op je borst

ik ben nog niet heengegaan
de treinen zijn allemaal vertrokken
ik ben nog niet heengegaan

de kaartjes zijn verkocht
de koffers zijn ingestapt
ik ben gebleven

als ik nu ga zal het zachter
zijn, in de wind, in de huizen
en toch, ofschoon
de wind nu is gaan
liggen, en het bos wuift
en knikkebolt,
nu dat de slaap
als een harp klinkt en
de kinderen zingen
leg ik mijn elleboog op de
donkere middag en huil

muziek vallend door het bos
als herfstbladeren een lied
gezongen door de sopraan der eiken
vang de lange buit

maar om te gaan
voordat het uur een vlinder is
die opvliegt en verdwijnt.

Hans Lodeizen (1924-1950)
Uit 'Het innerlijk behang en andere gedichten'
Foto: Pascal Renoux


Simpel schreef:
Afbeelding

Zoals

Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor,
en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling,
zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt
en pas als je het hebt, weet wat het was,
zoals je soms een pakje ergens heen brengt
en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt,
dat je te licht bent, zoals je je, wachtend,
minutenlang hevig verlieft in elk nieuw mens
maar toch het meeste wachtend bent,
zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waar het om ging
en je een geur te binnen schiet bij wijze van
herinnering, zoals je weet bij wie je op alert
en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen,
zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.

Judith Herzberg


Truusje schreef:
Afbeelding


Ars Poetica

De dichter kent geen geheimen
waarover hij iets weet te zeggen
dat niet een woordspeling is,
het tijdverdrijf van zijn regels.

Hij kiest uit een taal vol tekens
de tekens die stilte verbreiden:
zijn woord, uit stilte genomen,
keert tot de stilte terug.

Hij oefent zich in het zwijgen,
een tegenstrijdige zanger,
en zingt overstelpt door geluiden
een letterlijk lied aan de stilte.

Adriaan Morriën
Uit ‘A. Morriën – Verzamelde gedichten’
Ill.: Roger Raveel, ‘Wolken’


Truusje schreef:
Afbeelding


Ken mij

Ik ben het water dat lispelt tegen de keien
aan het strand. De dronken schittering
van de zon op de golven, steeds bewegend.
Ik ben het geluid van de storm om het huis,
de rulle lucht van vochtige aarde, het vuur
dat siddert en springt. Ik ben de avond
waarin de honden blaffen verderop in het dal.
Zie mij: de vos die zich langs het pad
heeft neergelegd om te sterven. Ik ben
de pelgrim in de bergen, de handen
om je gelaat. Ik ben de geuren van vroeger:
na een hete zomerdag ben ik de eerste
verdampende regen op de stenen van je straat.
Ik ben het zachte en warme waarin je je opkrult
voor de nacht. Ik ben de gebochelde,
het heimelijke kijken, het wringen van je hart.
Ik ben het mes van de angst, in eigen vlees
het allerscherpst. Klein, zo klein ben ik
dat ik wil schuilen in je jaszak waar ik me
aan je handen vast kan houden en niets hoef
te zien. Hoog en ruim ben ik als de machtigste
kathedraal van sterren. Ik ben het ademen
van de dieren als er nevel ligt op de velden.
Ik ben de wilde danser. Ik ben de kring
om de maan. Ken mij. Ik ben het. Ik.

Ruth van Rossum
Uit ‘Eilandranden’


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Rembrandt van Rijn (1606-1669), ‘Titus aan de lessenaar’,
1655 (Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam)


Lezende Titus


Ik had hem alle woorden leren lezen
En zware boeken leren openslaan.
Mijn kleuren droeg hij kleurloos in zijn wezen.
Hij was te bleek. Zo ging hij hiervandaan.

Altijd goedhartig, is, waar wíj nog vrezen,
Híj, hemeling, met onze vrees begaan.
Hij zou wel onze voorspraak willen wezen
Bij eng'len die ons mensen gadeslaan.

Dus leest hij boeken, steeds nog, en zijn ogen
Zijn groot van zorglijkheid om wat hij las
Over de zielen die naar hun vermogen
En hun tekorten worden afgewogen.
Over zijn vaders zondenboek gebogen
Is hij zo bleek als toen hij hier nog was.


Simon Vestdijk (1898-1971)


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#2  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 7:58 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Lies schreef:
Afbeelding

HERFST


Langzaam van ver gevolgd door den hond van den hof,
Zijn wij de oude wegen zwijgend ingeslagen.
Een bleeke herfst verbloedt achter de zwarte hagen;
Vrouwen gaan einderlangs, rouwend, in donkre stof.

Als in een kloostertuin of kerkerbinnenhof
Is de lucht stil en grijs met droefenis beslagen;
En ieder gouden blad, wanneer zijn uur geslagen,
Gaat, als een souvenir, te gronde, keert tot stof.

De Stilte sluipt tusschen ons… Harten vol leugen,
Elk, moe van reizen en reeds rijp voor vreemd verheugen,
Zich vlucht en landing aan een blijdre kust belooft.

Maar ’t woud heeft, deze avond, zooveel donkre weemoed,
Dat ook ons hart, meegaande, milder wordt en meedoet
Aan ’t fluisteren van Weleer, onder den lucht die dooft.

Als van een kind dat men betreurt en dood gelooft.


J.J. Slauerhoff (1898-1936)


Simpel schreef:
Der Tod der Geliebten

Er wusste nur vom Tod, was alle wissen:
dass er uns nimmt und in das Stumme stößt.
Als aber sie, nicht von ihm fortgerissen,
nein, leis aus seinen Augen ausgelöst,

hinüberglitt zu unbekannten Schatten,
und als er fühlte, dass sie drüben nun
wie einen Mond ihr Mädchenlächeln hatten
und ihre Weise wohl zu tun:

da wurden ihm die Toten so bekannt,
als wäre er durch sie mit einem jeden
ganz nah verwandt; er ließ die andern reden

und glaubte nicht und nannte jenes Land
das gut gelegene, das immersüße –
Und tastete es ab für ihre Füße.

Rainer Maria Rilke


Lies schreef:
Afbeelding

DIE GEBED VAN EEN VERSTARRENDE SIELE


Maak ons onsterflik vir één enkele uur,
gee ons die dwaasheid van één blinde daad!
Die oë wat nie speur na doel of duur
maar, wyd en koorsig in ’n wit gelaat,
alleen die vlamme van die oomblik vang
sonder om oor die later as te treur
’n kreet wat in die lome lug sal hang
Soos bloedrooi rose in ’n waas van geur!

Ons harte was nog nooit só stil, só bloot…
Die donker styg rondom ons soos’n muur,
’n skeidsmuur tussen ons en lewe-en-dood
waaroor ons in die na-nag saggies praat…
Maak ons onsterflik vir één enkele uur,
gee ons die dwaasheid van één blinde daad!


Elisabeth Eybers ( 1915-2007)


Truusje schreef:
Afbeelding


Schlußstück

Der Tod ist groß –
Wir sind die seinen
lachenden Munds.
Wenn wir uns mitten im Leben meinen,
wagt er zu weinen
mitten in uns.

Rainer Maria Rilke
Uit ‘Das Buch der Bilder’


Lies schreef:
Klopt Truusje, ik denk dat ik te maken had met een overijverige bron.

Bij onderstaand gedicht moet ik aan de woorden van Simpel denken: "Ik zoek me soms mottig naar een mooie prent bij een gegeven gedicht" :smil:......en ga ik nu maar uit van een plek waar ik mij altijd op mijn gemak voel (liever zonder die molens).

Afbeelding


Er is de stilte
waarin de mens
een tijdelijke waarneming
doet en is

waarin hij de aarde beziet de vrucht
noemt en eet

waarin hij tijd en geluiden
verdeelt en vervoegt

waarin hij onzichtbare goden
en dromen verzwijgt

er is de stilte
die zich bevindt binnen
wat genoemd wordt:

dat wat verstaan wordt


Hester Knibbe *geb. 1946


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Albrecht Dürer (1471-1528), ‘Akeleistock’ (Albertina, Wenen)


De Akelei (Dürer)


Toen hij het kleine plantje vond,
boog hij aandachtig naar de grond
en dan, om wortels en om mos
groef hij de fijne aarde los,
voorzichtig - dat zijn hand niets schond.

Behoedzaam rondom aangevat
droeg hij het langs het slingerpad
van bos en akker voor zich uit,
en schoof het thuis in 't licht der ruit
zoals hij het gevonden had.

Dan, fluitende en welgezind
mengde hij zoekend eerst de tint;
diepblauw en zwart ineengevloeid,
met enk'le druppels rood doorgloeid,
dat het tot purper samenbindt.

En uur aan uur trok stil voorbij;
zó diep verzonken werkte hij,
dat het hem soms was of zijn hand
de vezels tastte van de plant-
zo glanzend kwam de omtrek vrij.

Totdat het gaaf te prijken stond:
de wortels scheem'rend afgerond,
het uitgesprongen groene blad
scherp in zijn karteling gevat
tegen de lichte achtergrond;

de bloemkroon purper violet,
de hokjes om het hart gebed
en boven de geknikte steel
de honingsporen, het juweel
vijfvlakkig: kantig neergezet.

In 't vallend donker toefde hij
nog dralend bij zijn akelei;
dan, in het laatste licht van 't raam
schreef hij de letters van zijn naam
en 't jaartal glimlachend erbij.


Ida Gerhardt (1905-1997)


Floortje schreef:
Afbeelding


Ich bewahre mich nicht

Ich fiel mir aus der Hand
Ich flügelschlagend
fiel auf den Kies
die Flügel schlagend

Mit ausgebreiteten Flügeln
ich bewahre mich nicht
mit ausgebreiteten Flügeln
verlaß ich's

Hilde Domin

´Der Baum blüht trotzdem`


Lies schreef:
Afbeelding

PADDESTOELEN


1

Het zijn oortjes van vlees
waar de aarde mee luistert
naar de muziek van het woud
over stilte, oneindigheid
of hoe het is als de vogels
vertrokken zijn

ze groeien als niemand het ziet
vroeg in de ochtend of ’s nachts
onder kastanjes, beuken,
in zachte bedden van heide
en mos, op plekken waar tussen
de bomen het zonlicht
kan doordringen tot in het gras

en dat hangt weer af
van de wind, want hij is het
toch die de bladeren schudt
en de wolken uiteendrijft
wanneer het hem zint


2

en je kunt wel zeggen : dit
is de plek, hier is het licht
aan het duister gewaagd, dit
is de helling waar dagen geleden
wij liepen met onze geurige
kwetsbare vracht

maar ze zijn er nu niet, dus
moet iemand anders ons voor
zijn geweest, die anderen
altijd, het maakt ons wat
zwijgzamer, trager, alsof wij plots
tegen de wind in lopen

zo komen wij aan zoals
wij vertrokken, met lege handen
en als wij omkijken zien wij
een grote, versluierde maar
welgevallige maandag
die haar baan om de aarde begint

en wij vatten moed


Miriam Van hee *geb. 1952


Joris van Rode schreef:
De grote liefde van Dante Alighieri, ruim zeven eeuwen geleden, heette Beatrice.
Maar er was ook een vrouw die hem hevig teleurstelde:

MADONNA PIETRA DEGLI SCROVIGNI

Io maledico il dì ch’io vidi in prima
La luce de’vostri occhi traditori,
E ’l punto che veniste in sulla cima
Del core a trarne l’anima di fuori:

E maledico l’amorosa lima
C’ha pulito i miei detti e i bei colori,
Ch’io ho per voi trovati e messi in rima,
Per far che il mondo mai sempre v’onori.

E maledico la mia mente dura,
Che ferma è di tener quel che m’uccide,
Cioè la bella e rea vostra figura

Per cui Amor sovente si spergiura
Sicchè ciascun di lui e di me ride,
Che credo tôr la ruota alla ventura.

Dante Alighieri (1265-1321)
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

In 1884 liet de prerafaëlitische schilderes Marie Spartali Stillman (1844-1927) zich inspireren
door het gedicht en zij fantaseerde dit portret van vrouwe Pietra degli Scrovigni.

Afbeelding
(Walker Art Gallery, Liverpool)
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Nico van Suchtelen (1878-1949) vertaalde het gedicht:

AAN VROUWE PIETRA DEGLI SCROVIGNI

Ik vloek den dag dat mij voor ’t eerst verblijd
het licht heeft dier verraderlijke oogen;
en ’t uur dat ge in mijn hart gekomen zijt
en hebt er mijn ziel ganschlijk aan onttogen!

Ik vloek de vijl van mijn kunstvaardigheid,
die blank sleep al dier schoone woorden logen,
die ’k voor u vond en heb in rijm gerijd,
opdat men eeuwig u zoude eeren mogen.

En ’k vloek mijn eigen waan-verwarden geest,
die willoos aan de zware razernij
zich vastklemt van uw schoone en schuld’ge leest,

waarvoor zelfs Amor geenen meineed vreest;
zoodat een ieder hem bespot, maar mij,
die ’t wiel van de fortuin wil wenden, ’t meest.


Lies schreef:
Afbeelding

DIT MOMENT


Er is niets voor te stellen mooier dan
een vrouw die in het strijkend avondlicht
een tuin in loopt , het waait, het blad van
de kastanje gaat tekeer, ze zoekt naar
bloemen, snoeiend, alles als weleer.
Daar bukt ze, rustig buiten elke tijd,
verbonden met haar wereld, ook de mijne.
Ik zie het aan in dit moment en wens
dat ondanks ons verstrijken het beklijft.


T. van Deel * geb. 1945
uit: "Boven de koude steen"


Joris van Rode schreef:
Nog een poëet die een blauwtje liep:

Afbeelding

THE APPARITION

WHEN by thy scorn, O murd'ress, I am dead,
And that thou thinkst thee free
From all solicitation from me,
Then shall my ghost come to thy bed,
And thee, feign'd vestal, in worse arms shall see :
Then thy sick taper will begin to wink,
And he, whose thou art then, being tired before,
Will, if thou stir, or pinch to wake him, think
Thou call'st for more,
And, in false sleep, will from thee shrink :
And then, poor aspen wretch, neglected thou
Bathed in a cold quicksilver sweat wilt lie,
A verier ghost than I.
What I will say, I will not tell thee now,
Lest that preserve thee; and since my love is spent,
I'd rather thou shouldst painfully repent,
Than by my threatenings rest still innocent.

John Donne (1572-1631)

Illustratie: John Donne als jonge man, ca. 1595, onbekende kunstenaar
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Vertaling door Jan Eijkelboom (1926-2008)

DE VERSCHIJNING

Wanneer uw kille blik mij heeft vermoord,
en gij denkt eindelijk bevrijd
te zijn van mijn hardnekkigheid,
dan zal ik maken dat mijn spook u stoort
terwijl ge in slechter armen ligt gevlijd.
Dan zal uw kaarsvlam in de tocht verwaaien;
uw nieuwe minnaar, grondig uitgeput,
zal denken dat uw lust weer op gaat laaien
als gij hem wakkerschud,
en u in valse slaap de rug toe draaien.
Dan, arme stakker, zal de angst u kwellen
tot gij, bedekt met zweet als ijskoud kwik,
een spook zijt, meer dan ik.
Wat ik dan zeg zal ik u niet vertellen:
'k heb liever niet dat gij zijt voorbereid;
mijn liefde is toch voorbij: ik wil uw spijt,
liever dan onschuld uit voorzichtigheid.


Simpel schreef:
Afbeelding

Een lange wandeling

Wandelend met B en R mijn kinderen
wordt het weer winter, word ik langzaam
weer ingesponnen in altijd dezelfde
nevelige bosranden, modderige wegen,
het kille schreeuwen van fazanten,
de grond dreunt onder een drietal
fjorden-paarden, melancholie van
licht bevroren boerenkool alom.

Alles verandert maar keert onveranderd
terug. Neem de heiligen van deze maanden.
Een kind weet dat Sint Maarten met een
halve mantel vertrekt, hij komt met een
nieuwe terug. Sint Nicolaas is altijd
onder ons, al zien wij dat meestal niet.
Maria loopt met een nieuwe Jezus toch
weer in haar laatste dagen. Onze wereld
blijkt gesloten.

Zo komen wij dan ook bij altijd dezelfde
bomen, waarin mijn dochters altijd dezelfde
takken beklimmen en zwaaiend in de toppen
zingen: zie ginds komt de stoomboot, kijk
eens hoe hoog wij zijn. En inderdaad zij
zijn buiten bereik, als zij vielen,
ik zou hen moeten laten vallen.

Wandelend door de schemer terug naar huis
bespreken wij de maan en opa's dood.
Ze hebben een heel klein beetje te doen
met mij, omdat opa mijn vader was. (Hij
was het die destijds in gordijnen gehuld,
een baard van geplozen touw tot op de
knieën, een wiegelende mijter op het hoofd
voor mij door het maanlicht sloop)

Wandelend in het duister voel ik
hun koude handen, moet ik
hun dorre bloemen dragen,
hun neuzen snuiten,
hun knopen sluiten,
hun vader zijn.

Rutger Kopland


Lies schreef:
Afbeelding

TWEE REDDELOOZEN


Zij gaat 's nachts vaak naar de haven
Waarheen ze vroeger met mij ging,
Aan de eeuwige zee, aan de sterren,
Vraagt ze waarom het voorbij ging -

En de wind en de lichten der schepen
Zeggen dat al wat voorbijgaat
Op een reis is zonder thuisreis
Naar een einde waar niemand ons bijstaat -

In mijn hooge verlichte venster
Tusschen schoorsteene' en torenklokken
Heb ik tegenover den hemel
Een eenzame voorpost betrokken.

In alles te kort geschoten,
Staar ik bij het raam op de stad
En vraag: was ik grooter geworden
Wanneer ik had liefgehad?


Martinus Nijhoff (1894-1953)


Truusje schreef:
Afbeelding


Zo meen ik dat ook jij bent

zoals de koelte 's nachts langs lelies
en langs rozen
als wit koraal en parels diep in zee
zoals wat schoon is rustig schuilt
maar straalt wanneer ik schouwen wil
zo meen ik dat ook jij bent

als melk
als leem
en 't bleke rood van vaal gesteent
of porselein
zoals wat ver is en gering
en lang vergeten
voor het oud is

zoals een waskaars en een koekoek
en een oud boek en een glimlach
en wat onverwacht en zacht is en het eerste
en wat schuchter en verlangend en vrijgevig
gaaf maar broos is
zo meen ik dat ook jij bent

Jan Hanlo
Uit ‘Jan Hanlo – Verzamelde gedichten’
Ill.: Kees van Dongen

(In Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam zijn tot 23 januari 2011
tachtig prachtige portretten van Kees van Dongen te bewonderen. Zien!!)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Gebroeders van Limburg, getijdenboek ‘Les très riches heu-
res du duc de Berry’
- Oktober, detail (begin 15e eeuw).


OCTOBER

Een stervend blad is levender dan geen.
Het is als half geronnen bloed aan 't stroomen.
Aan alle kleuren is de kleur ontnomen
Die niet naar deze lijdensdroppen zweemt.

De hemel haalt de schatten uit de boomen,
En kijkt langs kaalgerukte takken heen
Om na die overdaad van edelsteen
Zijn eigen bleeke droom te kunnen droomen.

Rood is de kleur van wilde nachtsignalen,
Van jacht en van barbaarsche overvloed
En van 't verterend smachten naar een vrouw.

Bewaar uw teederheid voor 't hemelblauw,
October; laat uw hartstocht nederdalen
In blaad'ren die gedrenkt zijn in uw bloed!


Simon Vestdijk (1898-1971), uit ‘Gestelsche liederen’, 1949


Lies schreef:
Afbeelding


Ik denk aan u, droom van dit korte leven,
en van zijn barren gloed het rusteloos vuur.
Het bloed mijns harten wilde ik u geven -
zie: 't werd een rode wingerd langs den muur.

O latere geliefden langs deez' paden,
wanneer mijn stof al wervelt op den wind,
herdenkt mij: toen mijn voeten het betraden,
heb ik dit landschap ook zozeer bemind.

Herdenkt, herdenkt mij dan - maar niet verweven
met de gedachte aan die de harten blust,
maar als gij naar de grenzen reikt van 't leven,
in najaarsnachten, warm van liefde en lust.


J.C. Bloem (1887-1966)
uit: "Het verlangen", 1921


Truusje schreef:
Afbeelding


Nazomer

ik heb in het gras mijn wapens gelegd
en mijn wapens gaan geuren als gras
ik heb in het gras mijn lichaam gelegd
mijn lichaam is geurig als hout bitter en zoet

dat liggen dit nietige luchtige liggen
als een gele foto liggend in water
glimmend gekruld op de golven
of bij het bos stoffig van lichaam en schaduw

oh grote adem laat de stenen nog niet opstaan
maak nog niet zwaar hun wangen hun ogen
kleiner gebrilder en grijzer

laat ook de minnaars nog liggen en stilte
zwart tussen hun zilveren oren en ach
laat de meisjes hun veertjes nog schikken en glimlachen

Lucebert
Uit ‘Van de afgrond en de luchtmens’


Truusje schreef:
Afbeelding


Oktober

Mijn ramen staan opnieuw op nacht en najaar open,
weer gaat het waaien langs de ramen naar de gracht.
Ik heb gewacht tot ik op niets meer wilde hopen
dan wat nog ieder jaar oktober heeft gebracht.

De bomen die weer in het laat seizoen verdorren.
De namiddag. En onherroepelijk nabij
zijn allen die al langzaam aarde zijn geworden.
Van oude mensen gaan de dingen nu voorbij.

De grote liefdes komen onder de verweerde
hemel nu ergens voor de laatste keer bijeen:
– Wij hebben steeds gevreesd wat wij het meest begeerden
en elke teerheid liet ons hunkerend alleen.

Alleen. De lege steden en de lege straten
met weer en wind en wat daarin te gronde ging.
En wij, die meer verloren dan wij ooit bezaten,
wij worden stil van zinloze verwondering.

Jean Pierre Rawie
Uit ‘Oude gedichten’


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

KIL

De herfst wordt nu kil.
De meeste bomen houden hun groen vol,
maar de berken, van vorm en tint toch al ijl,
slinken tot geesten.
Hun schemerende skeletten zijn behangen
met dunne gouden munten waar de zon doorheen schijnt,
versleten dukaten die zullen
vallen op vochtige Hollandse zandgrond.


Hans Andreus (1926-1977), uit ‘Groen land’, 1961


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#3  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:00 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Lies schreef:
Afbeelding

OKTOBER


Steeds geler bome teen steeds grouer lug,
die somer trek met rukke en stote terug,
die donker word geleidelik dringender,
die wind gaan sy lawaaierige gang,
stortreën pas in die alledaagse plan:
met slegs 'n knik vir al die kras omringende
slaak ons 'n ingetoë beamingssug
by hierdie onnegeerbare gerug.


Elisabeth Eybers (1915-2007)
uit: "Winter-surplus"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


HERFSTMIDDAG AAN DE PRINSENGRACHT


Ik zie de boom, geworteld op de voeten,
het jaar doorschrijden en het watervlak
der Prinsengracht. Ik zie het water groeten:
één grote glimlach, waar de zon in brak.
En toen ik haar op ingetogen benen
over de ronde rondebrug zag gaan,
liep er iets warms vanuit mijn borstkas heen
en keek ik dieper in mijn leeg bestaan.
Er blijven nu maar weinig dingen over:
water en zon, wat mist, verwelkend lover,
en, ergens in de droom daartegenover,
achter de hartstreek een verdwaalde pijn...

De pijn wordt groter, en het woord zó klein,
dat zij niet weten of zij samen zijn.


Gerard den Brabander (1900-1968)


Lies schreef:
Afbeelding

HERFSTROOD EN ROS


Met kettingen van goud, zilver en hout omhangen,
de haren herfstrood en ros, met bonte banden
gebundeld tot 'n bos, kaneelkleurig hun handen:
zo komen ze tegemoet aan m'n verlangen.

Onbewust. Ik volg hun bewegingen met bange
ogen, zit op m'n kruk van begeerte te verbranden,
moet schaamteloos en openlijk watertanden
als ik hun borsten bloot uit hun bloesje zie hangen.

Zoals ik soms naar jenever, helder, pittig gekruid,
hongerig de hand uitstrek en de lippen tuit,
even hels hunker ik naar de geur van hun huid.

Ik vrees 't moment waarop, als met 'n list,
de portier de deur sluit, als de klep van 'n doodskist!:
weer wat leven uit m'n lichaam weggegrist.


Tymen Trolsky (Jasper Mikkers) geb. 1948
uit: "Zwarte liederen"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


HEIMWEE


Eenmaal – miskien was ek toe nog ’n kind –
was alle dae soos hierdie winterdag,
die lug so yl en klaar en koesterend sag,
die son so ver en vlamloos en die wind
swygsaam, met nou en dan ’n wye sug
wat glansend oor die gras ’n ligte streep
van helder, omgeboë halms sleep;
’n onderstroom van lente in die lug,
onkeerbaar soos die lewe in my skoot
en wreed en dringend met die teer geweld
van alle wasdom, ryk aan soete onrus
wat hygend in my hart en longs opstoot
tot ek ’n blinde koers vat deur die veld
waar elke geur louter herinnering is.


Elisabeth Eybers (1915-2007), uit Die Vrou en ander Verse, 1945


Trudy schreef:
Afbeelding

De tuinman en de dood
Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: "Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!" -

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

"Waarom," zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
"Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?"

Glimlachend antwoordt hij: "Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."

P.N. van Eyck


Trudy schreef:
Afbeelding


Bericht
Er is bericht van hen.
Van ginds
van hen.
Hun overhemd niet bevlekt
Hun wenkbrauwen niet gefronst.

Alleen hun stoppels
een beetje doorgegroeid. "We zijn er geweest"
Ze zeiden het niet.

Ze hebben het doorstaan, weet ik.
"We hebben het doorstaan"
Ze zeiden het niet.

Met een lach in hun ogen
kijken ze je aan.
Op hun slapen een verse wond, toch
hun wenkbrauwen niet gefronst.

Alleen hun stoppels
een beetje doorgegroeid...

Nazim Hikmet (1902-1963)

(vertaling Dick Koopman)


Lies schreef:
Afbeelding

DUINPAN


Ontelbaar is mijn ondergrond, een kom
mijn ondoorgrondelijke som, een eeuwigheid
ligt erin opgeslagen. Van weer en wind

een buitenkind, word ik gevoed met huid
die van de toppen wordt gerukt. Geen dood
heeft grip op mij, ik ken hem niet

dan van nabij als hij een schepsel uit me
plukt, een hagedis of duinkonijn aan wie ik
kraambed bied en keutelplek. Ik kijk alleen
tot waar ik reik, want door elk briesje

opgetild, word ik toch op mijzelf
teruggeworpen. Behalve als een storm
wreed in me duikt. Aan wat me dan
ontvalt, sterf ik alsnog.


Hester Knibbe (geb. 1946)
uit: "Oogsteen"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


Herfst in Amsterdam


Langs grijze gevels aan de Herengracht
begint de avond aarzelend te dalen
op lijstwerk – waar in steen een neger lacht –
op luifel, stoep en blauwgranieten palen.

Onder de weemoed der oktober-bomen,
wier kruinen zachtjes praten met elkaar,
staan karrepaarden voor zich uit te dromen.
Dicht aan de huizen gaat een wandelaar.

En op het water sluimeren de schuiten.
Geen enkele schipper die een blik besteedt
aan het gebroken licht dat wegzinkt uit de ruiten.
Onder de bruggen ligt de nacht gereed.


Bert Voeten (1918-1992)


Trudy schreef:
Afbeelding

Over het leven
Onze wereld koelt af
een ster tussen de sterren
nog wel een van de kleinste
een spikje bladgoud op blauw fluweel
die reusachtige wereld van ons.
Ooit koelt deze wereld af
en zal niet eens als een ijsklomp
of een dode wolk
maar als een lege notendop wegtollen
in het eindeloze stikkedonker.
Nu al daarvan de pijn te dragen
de droefenis te voelen.
Zo zeer moet je van deze aarde houden
dat je kunt zeggen:
"Ik heb geleefd".

Nazim Hikmet, uit: Mensenlandschappen. Vertaling: Els Hansen, Ruud Keurentjes, Wim van den Munkhof, Breda/Antwerpen 1995.


Lies schreef:
Afbeelding


SEIZOENEN


Ik sprokkel late stukjes
zomer in fragmenten
geel. De lente laat ik heel.
Het schuchter groen - nog nooit
kon ik wat aarzelt breken.

Jouw geur vleugt onvergeten door het gras.
Weet jij de bomen nog? En nog
waarom het was dat ooit
de herfst begon en onze dromen
met de vogels weken?

Nee, spreek niet van de winter -
het wordt nacht - de winter wacht wel
want de tijd beweegt zich
zonder haast nu
van ons af.

Kom, sluit je ogen en vergeet
voor even alle storm, de kou
en laat het donker aan voorbije dagen
en laat de zon aan wat niet meer zal zijn.
Ik open de gordijnen.

Dan, in het strijklicht van de maan,
herken ik je
en heb ik je
nog even
lief.


Margreet Spoelstra (geb.1952)


mallemeid schreef:
Afbeelding

Het Einde

Oud de tijd en vele vogels sneeuwen
in de leegte in de verte
wordt men moe en de stemmen
staan stijf om zelfs de zuiverste lippen

ruw en laag wandelt de regen
waarheen zijn de lichte dagen gegaan
waar zijn de wolken gebleven
alles is stom en van steen

Alleen die in zijn engte de elementen telde
buigend en bevend als geselslagen
geeft het laatste geluid: het lied
heeft het eeuwige leven.

Lucebert


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


SEHNSUCHT


Ach, aus dieses Tales Gründen,
Die der kalte Nebel drückt,
Könnt ich doch den Ausgang finden,
Ach, wie fühlt ich mich beglückt!
Dort erblick ich schöne Hügel,
Ewig jung und ewig grün!
Hätt ich schwingen, hätt ich Flügel,
Nach den Hügeln zög ich hin.

Harmonieen hör ich klingen,
Töne süßer Himmelsruh,
Und die leichten Winde bringen
Mir der Düfte Balsam zu,
Goldne Früchte seh ich glühen,
Winkend zwischen dunkelm Laub,
Und die Blumen, die dort blühen,
Werden keines Winters Raub.

Ach wie schön muß sich's ergehen
Dort im ew'gen Sonnenschein,
Und die Luft auf jenen Höhen,
O wie labend muß sie sein!
Doch mir wehrt des Stromes Toben,
Der ergrimmt dazwischen braust,
Seine Wellen sind gehoben,
Das die Seele mir ergraust.

Einen Nachen seh ich schwanken,
Aber ach! Der Fährmann fehlt.
Frisch hinein und ohne Wanken!
Seine Segel sind beseelt.
Du mußt glauben, du mußt wagen,
Denn die Götter leihn kein Pfand,
Nur ein Wunder kann dich tragen
In das schöne Wunderland.


Friedrich Schiller (1759-1805)


Lies schreef:
Afbeelding

NATUUR


Weinig hoor je klagen
dat de natuur geen plezier heeft
in haar afwisselend leven, dat de regen
niet lacht, de wind geen boerendans doet,
geen bloem knipoogt, niet één boom
in de spiegel van het water
een dwaas gebaar maakt, zijn vuist
schudt, zijn schouders ophaalt;
dat zou toch moeten kunnen
met al die mime-kracht van twijgen.
Het bedroeft blijkbaar amper iemand
dat hij verkeert in suizende,
ruikende gezelschappen van bloemen,
beesten en bergen, die nauwelijks
verder zijn dan vergaan, dan snuivend
gehoorzamen aan zon en maan, dan alle
soorten eentonige ernst en niets
belovend zwijgen.


Ed Leeflang (1929-2008)
uit: "Bewoond als ik ben"


Trudy schreef:
Afbeelding

Vermoeden

Je klemt je woede
tussen bleke lippen,
kijkt niet op
naar een passant,
verbergt
achter een muur van haren
wat in jouw wezen
is verzand.

Twee keer per week
kom ik je tegen,
we delen
onze deur van hoop;
veel meer zal ik van jou
nooit weten:
met therapieën
loop je niet te koop.

Inge Angevaare, 1990 (Uit: Sneeuw omploegen)


Trudy schreef:
Afbeelding

Soep (zonder ballen)

Sommige gedichten
zijn net een bord soep:
als na lang blazen
de damp er ten slotte
niet meer af slaat
blijkt het niets anders
dan een beetje troebel water
te zijn

vaak ontbreken de ballen ook nog

Lodewijk Huisinga (1958-1976)
Uit: Lodewijk, 1976


Trudy schreef:
Afbeelding


Op een kreeft

Er was te Rotterdam een kreeft,
die steeds 'ik hebt' zei voor: 'ik heeft'.
'En dat', zo zegt een Amsterdammer,
'is daarom zo bijzonder jammer
omdat het toont welk wanbegrip
men daar van werkwoordsvormen hib.'


Op een konijn

Bij Noordwijk zwom een nat konijn
te midden van een school tonijn.
'Tja,' sprak het beest, 'dat tomt er van
als men de ta niet zeggen tan.'

Kees Stip, beide uit: Het grote beestenfeest, 1998


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


Guido Gezelle (1830-1899) schreef:


Min de stilte in uw wezen;
Min de stilte die bezielt;
Zij die alle stilte vreezen;
Hebben nooit een hart gelezen;
Hebben nooit geknield.


En Carl Steven Adama van Scheltema (1877-1924) borduurde daarop voort:


DE STILTE


Min de stilte in uw wezen,
Zoek de stilte die bezielt,
Zij die alle stilte vreezen
Hebben nooit hun hart gelezen,
Hebben nooit geknield.

Draag uw kleinen levenszegen
Naar het droomenlooze land,
Lijk de golve' heur oogst bewegen –
Tot zij zachtjes breken tegen
Het doodstille strand.

Zie den boom de paden tooien
Rondom zijnen stillen voet,
Laat uw ziel zich zoo ontplooien
En haar bloemen om zich strooien
Uit een vroom gemoed.

Leer u aan de stilte laven:
Waar het leven u geleidt –
Zij is uwe veil'ge haven,
Want zij is de groote gave
Van de Eeuwigheid.

Sluit de stilte in uw gaarde,
Wees in haar gelukkig kind:
Al wie ze aan haar schoot vergaarde –
Alle zaligen op aarde
Hebben haar bemind.


Lies schreef:
Mooi 'de stilte' Joris :smil:

Afbeelding


Nooit trapte ze met zoete pootjes op
mijn hart, wel knaagde ze zo nu en dan
aan mijn geweten, omdat ik haar gedurende
de dag verliet en uren kon vergeten.

Dat werd dan 's avonds door haar
afgestraft met dominantie en bevelen.
En ach, ik deed het graag, haar naar
de ogen zien, haar rode haren strelen.

Ze was me keer op keer de baas, de kleine
kat; ik was haar voetveeg en het kussen,
waartegen ze wellustig liggen kon. En dan
maar snorren ondertussen!

Maar 't mooiste was het, als ik in haar
ogen keek, zo rustig, als ik nooit in
mensenogen kijk. Dan zag ik leegte,
diepten. Niets en alles tegelijk.


Ria Zifkamp (geb.1950)


Valk schreef:
Het Niets en het Iets

Ik stond stil
op een tweesprong.
Boven mij een spranklende hemel
beneden mij een Niets.

Een Niets met een dwingend stemgeluid:
“Ga dan toch”
Het had iets verleidelijks,
iets van een belofte.

Toch was daar de twijfel,
kon ik het Niets vertrouwen?
Kon ik zomaar gaan,
zonder rem, zonder schuldgevoel?

Het Niets riep me,
maar het Iets klonk luider.
Zoveel nog te doen
Zoveel nog te ervaren.

Ik besluit het Iets te volgen
en waar we uitkomen
is iets wat verborgen ligt.
Maar toch:Iets klinkt net effkens beter als Niets

Valk


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
Mooi 'de stilte' Joris :smil:
(…)

Nooit trapte ze met zoete pootjes op
mijn hart, wel knaagde ze zo nu en dan
aan mijn geweten, omdat ik haar gedurende
de dag verliet en uren kon vergeten.
(…)

Ria Zifkamp (geb.1950)

Charmante en poezelige poëzie, Lies.

Ik zei het al eerder: de mens is de edelste verovering van de kat.

Ook Charles Baudelaire heeft dat geweten.

Afbeelding

LE CHAT


Viens, mon beau chat, sur mon coeur amoureux;
Retiens les griffes de ta patte,
Et laisse-moi plonger dans tes beaux yeux,
Mêlés de métal et d'agate.

Lorsque mes doigts caressent à loisir
Ta tête et ton dos élastique,
Et que ma main s'enivre du plaisir
De palper ton corps électrique,

Je vois ma femme en esprit. Son regard,
Comme le tien, aimable bête,
Profond et froid, coupe et fend comme un dard,

Et, des pieds jusques à la tête,
Un air subtil, un dangereux parfum
Nagent autour de son corps brun.


Charles Baudelaire (1821-1867)
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Vertaling van Lepus:

DE KAT

Kom, mooie kat, op mijn hart dat smacht;
Trek de klauwen van je poten in,
En laat mij duiken in je ogenpracht,
Met metaal en agaat erin.

Wanneer mijn vingers in alle rust
Je kop en lenige rug bestrelen,
En als mijn hand dronken is van lust,
Door met jouw elektrisch lijf te spelen,

Meen ik mijn vrouw te zien. Haar ogen,
Lief dier, zoals die van jou, kerven als een dolk
En zijn diep en koud, zonder mededogen.

Een onzichtbare wolk,
Van prikkelend parfum zweeft, van kop tot teen,
Subtiel om haar bruine lichaam heen.


Lies schreef:
Vestdijk ook Joris. Hoop dat deze nog niet eerder is geplaatst, want door de opruimwoede elders ben ik die controle kwijt.

Afbeelding

DE NIEUWE KAT NEEMT IN BEZIT


Waar staart hij nú weer heen? Is hij tevreden?
Is hij een dier met een ontstemd verleden,
Dat aan herinnering lijdt?
Hij likt zich van denkbeeldig vuil schoon; '' k zet
De aarden schotel naast zijn lappen bed
En ben tot vleierij, ben tot laagheden,
Ben tot de lafste lokwoorden bereid...
Maar hij neemt voor zijn roode tong den tijd,
En strekt een poot,
En likt die ook,
En gaat steeds door mijn aandacht te verguizen,
Tot hij opeens en als een valk zoo wijd
Zijn oogen spieg'len laat tot aan de huizen.


S. Vestdijk (1898-1971)


Joris van Rode schreef:
Zelfs de cerebrale Vestdijk!
Er moet werkelijk zoiets bestaan als kattenmagie. Charles Baudelaire onderging ze. Hier een tweede kattengedicht van hem:

LES CHATS

Les amoureux fervents et les savants austères
Aiment également, dans leur mûre saison,
Les chats puissants et doux, orgueil de la maison,
Qui comme eux sont frileux et comme eux sédentaires.

Amis de la science et de la volupté
Ils cherchent le silence et l'horreur des ténèbres;
L'Erèbe* les eût pris pour ses coursiers funèbres,
S'ils pouvaient au servage incliner leur fierté.

Ils prennent en songeant les nobles attitudes
Des grands sphinx allongés au fond des solitudes,
Qui semblent s'endormir dans un rêve sans fin;

Leurs reins féconds sont pleins d'étincelles magiques,
Et des parcelles d'or, ainsi qu'un sable fin,
Etoilent vaguement leurs prunelles mystiques.


Charles Baudelaire (1821-1867)


Afbeelding


Vertaling van Lepus:

DE KATTEN

Vurige verliefden en strenge geleerden
beminnen ook in hun rijpere seizoen,
machtige en zachte katten, waarmee zij pronken
en die honkvast zijn en kouwelijk zoals zij.

Vrienden van de wellust en de wetenschap
zoeken zij stilte en huiverende duisternis;
Erebus* zou ze nemen als zijn sombere rossen
als ze hun trots lieten varen in horigheid.

Mijmerend nemen zij de nobele houding aan
van grote sfinxen uitgestrekt langs eenzaamheid,
die verzonken lijken in een eindeloze droom;

Hun vruchtbare lenden zijn vol magische vonken
en gouden schilfers, terwijl fijne zandkorrels
vaag flonkeren in hun mystieke oogappels.

* L’ Erèbe, Erebus (Gr. myth. Erebos): God van de duisternis (= onderwereld)


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#4  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:13 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Lies schreef:
Afbeelding

KATTENTAAL


Wanneer ze lopen, is het voor mijn voeten.
Als ze gaan zitten, is het op mijn stoel.
Ze liggen in mijn bed - zij warm, ik koel:
verloren machtsstrijd waar de dekens moeten.

Ach ja, hun blik is als een diepe poel
waarmee ze alle kattenkwaad verzoeten.
Maar wel een poel waar salamanders wroeten
en waar ik enge watertorren voel.

Zij spelen voor Klein Pluimpje. De reuzin
ben ik, met monsterklauwen die hen tillen
en aai of warmte geven, honger stillen.

Ze hebben mij hun taal geleerd. Gespin
ontstijgt ze vaak met dit bericht erin:
wat zijn we knap. Het mens doet wat wij willen.


Patty Scholten (geb.1946)
uit: "Ongekuste kikkers"


Truusje schreef:
Afbeelding


Men moet

Men moet altijd enigszins verdrietig zijn,
anders is men verloren

maar men moet wel een beetje verloren zijn –
van het reddeloze soort –
anders zou men alleen maar gelukkig zijn

toch moet men ook gelukkig zijn,
zo maar gelukkig kunnen zijn,
in alle staten van geluk

anders zou men maar verdrietig zijn,
enigszins verdrietig
altijd.

Toon Tellegen
Uit ‘Minuscule oorlogen,
(niet met het blote oog zichtbaar)’
Foto: Katerina Lomonosov, ‘October’


Joris van Rode schreef:
Nog over katten.
Een leuk niemendalletje:

Afbeelding

LE CHAT ET LE SOLEIL

Le chat ouvrit les yeux,
Le soleil y entra.
Le chat ferma les yeux,
Le soleil y resta.

Voilà pourquoi, le soir,
Quand le chat se réveille,
J'aperçois dans le noir
Deux morceaux de soleil.

Maurice Carême (1899-1978), uit ‘L’Arlequin’, 1970
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Vertaling:

DE KAT EN DE ZON

De kat opende haar ogen,
De zon ging er binnen.
De kat sloot haar ogen
De zon bleef er binnen

Ziedaar waarom ’s avonds,
Als de kat wakker wordt,
Ik in het pikkedonker
Twee stukjes zon zie.

Het is wellicht het ogenblik om te vertellen hoe ik aan mijn pseudoniem gekomen ben. :computer:

Het is de naam van een kat.

Ik vond ze tijdens een van mijn zwerftochten in de buurt van de commanderij van Gruitrode (West-Limburg).
Afbeelding
Ik installeerde het klein, klaaglijk miauwend, ros beestje in een doos op de achterbank van mijn wagen en bracht het mee naar huis. Daar werd beslist het diertje, dat mannelijk bleek te zijn, Joris te heten. Het groeide op tot een struise kater die er prijs op stelde mij nauwlettend in het oog te houden. Bij voorkeur kwam hij op mijn papieren zitten terwijl ik aan het schrijven was. Na verloop van tijd nam hij er toch vrede mee zich te installeren op een kussen dat ik op de werktafel had gelegd. Regelmatig achtte hij het ook nodig een inspectietocht te ondernemen achter mijn leesvoer in de boekenkast.

Hij was veertien jaar toen op straat werd overreden door een auto. Ik heb aan Joris van (Gruit)Rode goede herinneringen overgehouden. Hij leek een beetje op het rosse beest op de illustratie bij het tweede gedicht van Baudelaire.

Het spijt me dat ik geen dichterlijke aanleg heb.


Lies schreef:
Joris van Rode schreef:
[....]

Het is wellicht het ogenblik om te vertellen hoe ik aan mijn pseudoniem gekomen ben. :computer:

Het is de naam van een kat.

Ik vond ze tijdens een van mijn zwerftochten in de buurt van de commanderij van Gruitrode (West-Limburg).
Afbeelding
Ik installeerde het klein, klaaglijk miauwend, ros beestje in een doos op de achterbank van mijn wagen en bracht het mee naar huis. Daar werd beslist het diertje, dat mannelijk bleek te zijn, Joris te heten. Het groeide op tot een struise kater die er prijs op stelde mij nauwlettend in het oog te houden. Bij voorkeur kwam hij op mijn papieren zitten terwijl ik aan het schrijven was. Na verloop van tijd nam hij er toch vrede mee zich te installeren op een kussen dat ik op de werktafel had gelegd. Regelmatig achtte hij het ook nodig een inspectietocht te ondernemen achter mijn leesvoer in de boekenkast.

Hij was veertien jaar toen op straat werd overreden door een auto. Ik heb aan Joris van (Gruit)Rode goede herinneringen overgehouden. Hij leek een beetje op het rosse beest op de illustratie bij het tweede gedicht van Baudelaire.

Het spijt me dat ik geen dichterlijke aanleg heb.
Ik wist een beetje hoe je aan je pseudoniem bent gekomen Joris, maar niet dat het beestje is overleden. Dacht die regelt de zaken in huize Joris nog naar eigen believen :) . Een opvolger van deze kater is er niet gekomen?

Mij doet het rosse beest denken aan buurmans kater. Hoe gek mijn honden zich ook aanstellen, hij is van die capriolen helemaal niet onder de indruk, en dat is zijn winst. Daar kan een mens nog wat van leren.


Ik heb ook geen dichterlijke aanleg (zit er misschien wel in, maar het komt er niet uit ;) ), daarom maak ik dankbaar gebruik van de gave van anderen:

Afbeelding

OELOEMBO, EEN KAT


Hij had zijn kleine gewoontes
als wij, maar groter
van onverschilligheid.

Hij hield in de winter van
kachels, 's zomers van
vogeltjes.

Ziek en even onverschillig voor
de dood als voor ons.
Hij stierf zelf wel.


Rutger Kopland (geb. 1934)


Truusje schreef:
    Afbeelding


Latento

Nu wij stilaan voor elkaar vervagen,
zinkend in de armen van de tijd,
rest ons slechts wat schamel praten
op de tak van tederheid.

Niets van dit alles wil ik nog bewaren:
het zacht gestamel van je bloed,
het waanzinnig lichte ademhalen

van de vogels in je schoot, je handen
als gebroken eierschalen, trillend
in de broedplaats van de dood.

De veerman kijkt en wacht.
Hij heeft het touw reeds losgelaten.
Onwennig is het lopen langs de paden
op de hoefslag van de nacht.

Gerda De Preter
Uit 'Volmaakte aanwezigheid, volmaakt gemis'
Ill.: Evelyn Williams, 'Between Night and Day'


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
(…)
Ik wist een beetje hoe je aan je pseudoniem bent gekomen Joris, maar niet dat het beestje is overleden. Dacht die regelt de zaken in huize Joris nog naar eigen believen :) . Een opvolger van deze kater is er niet gekomen?
(…)

Ja, in 2003! Een kattin. Ze heet Leni en is nu zeven jaar.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Afbeelding


NAJAAR

Het landschap is vol vochtige geluiden
– regen, naregenend uit bleke luchten –
nu de vogels, in wijdvertakte vluchten
sliertende pelgrimeren naar het Zuiden.

En de torens, die hun de hemel duiden,
slaan hun uren dof als vallende vruchten;
hun klank gaat over het land als een zuchten
en als de verregende geur der kruiden.

Rond de bomen, de gehuchten en dorpen
wordt een grijze lasso van licht geworpen;
herftshemelen ontrollen hun banier.
En de in de lucht ontkiemde vogelscharen
waaieren weg, vervagend, om te verjaren
in een warmere uithoek, ver van hier.

Bertus Aafjes (1914-1993)[/quote]

Joris van Rode schreef:
Afbeelding


HERFST


Ik kon het in huis niet uithouden.
't Laatste lief stelde mij teleur
Evenzeer als het eerste.
Ik ging op 't terras uitzien op de wouden
Trachtte mij te troosten met de allereerste
Bloemen en de allerbedwelmendste geur.

Maar 't was later seizoen dan ik dacht;
de koude bergwind trok dampen over de dalen,
Grijs werd alle kleur.
Ik dacht dat ik nooit meer van eene zou houden
En zag beneên door een nevelscheur
Het rood van de laatste mispels valen.


J.J. Slauerhoff (1898-1936)


Lies schreef:
Afbeelding

NACHT IN HET PARK


O milde herfstnacht! wanneer in uw lanen
de zerpe geur hangt van gevallen blaân,
en lange schimmen langs de bomen gaan:
geliefden die hun min nog eeuwig wanen;

hoe liefdrijk komt uw duisternis mij manen
geen hoop te stellen in wat kan vergaan:
in licht dat kwijnt en kleuren die vertanen,
in broze liefde die verwelkt tot waan.

Uw sterrenloze nacht is zoet... maar 'k vind er
geen vreugde in die 't oud verdriet zal vervangen:
mijn pijn kent lente, maar helaas! geen winter.

O doodsgevoel dat ik nooit overwin
in bruinen herfst! Hoe sluipt het moe verlangen
naar eeuwge rust mijn kranke zinnen in!


Jan van Nijlen (1884-1965)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


STEM VAN DE HERFSTREGEN


Wees niet bevreesd wanneer de vlagen gaan
rondom uw huis – het is uw aards verblijf.
Wees niet bevreesd als ziekte u komt slaan –
uw lichaam was altijd een aards verblijf.
Zonder bekommernis laat u ontgaan
roem, eer en staat; zij zijn een aards bedrijf.
Maar wees bevreesd wanneer de tranen gaan,
de bevende, om wat is aangedaan
door u.
De liefde is uw eeuwige verblijf.


Ida Gerhardt (1905-1997), uit ‘De slechtvalk’, 1966


Lies schreef:
:)

Afbeelding


MIJN KAT BEMINT


Mijn kat bemint en in de witte nachten
schreit hij zijn lijden hartverscheurend uit.
De poes van buurvrouw hunkert aan de ruit
en valt omver in een extatisch wachten.

Geen hindernis, die katers hartstocht stuit:
hij neemt een schuur, een schutting met verachten.
Hij zou er zelfs de loense maan om slachten,
wanneer die hem in zijn veroovring stuitt'.

Maar, eilacie! Wie zit er als een remmer
op 't vuurpaard van zijn overpuberteit?
Wie kent de smaad van één, die hemels vrijt,

die, plóts ontnuchterd, naar beneden glijdt
en in een tuin, onder een vuilnisemmer,
de schandelijkst' aller nederlagen lijdt?


Gerard den Brabander (1900-1968)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


Herfstnacht in de Tuilerieën


Alle banken hebben hun gelieven
aan de moede scheemring toevertrouwd.
En zij huiveren diep in eigen hout
sinds de minnenden zich stil verhieven.

Nacht en regen. Soms een roep door 't woud
van een duif en het onhoorbaar klieven
van het duister, dat zich slapend houdt
om de laatste liefde te gerieven.

Verder niets. De nacht en ik alleen,
eenzaam wandelend aan de rand der tijden,

zó verheugd en zó bedroefd meteen
om mijn voeten die een afscheid schrijden...

En de zachte regens om mij heen
of iemand ingehouden schreide...


Gerard den Brabander (1900-1968), uit ‘Drie op één Perron’, 1960


Truusje schreef:
Afbeelding


Een lege postbode verdrinkt op de landweg

het is verdomd al weer haast herfst
en mijn vermoeid lichaam dat geen honing kent
lichaam zwak boven mate en gespleten
het is een oud huis als in Greenwich Village

de bomen staan haastig in te pakken
hun bladeren gaan in de koffers van de grond
de wind is een gezwinde sleutel
en over het deksel legt zij een kleed van wolken

de vensters van mijn lichaam zijn blind
en bij het haardvuur van mijn dromen zie ik
de dagen als vlammen boompje verwisselen
en weggaan in een oude stam van het huis

hoe laat zou het al zijn de rivieren staan
te heupwiegen als een raam tegen het landschap
mijn lichaam mijn teder lichaam zachtjes heengaand
of een lege postbode verdrinkt in de landweg.

Hans Lodeizen,
Uit ‘Het innerlijk belang’


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


ANTWERP AND BRUGES


At Antwerp, there is a low wall
Binding the city, and a moat
Beneath, that the wind keeps afloat.
You pass the gates in a slowdrawl
Of wheels. If it is warm at all
The Carillon will give you thoughts.

I climbed the stair in Antwerp church,
What time the circling thews of sound
At sunset seem to heave it round.
Far up, the Carillon did search
The wind, and the birds came to perch
Far under, where the gables wound.

In Antwerp harbour on the Scheldt
I stood along, a certain space
Of night. The mist was near my face;
Deep on, the flow was heard and felt.
The Carillon kept pause, and dwelt
In music through the silent place.

At Bruges, when you leave the train
– A singing numbness in your ears, –
The Carillon’s first sound appears
Only the inner moil. Again
A little minute thought – your brain
Takes quiet, and the whole sense hears.

John Memmeling and John van Eyck
Hold state at Bruges. In sore shame
I scanned the works that keep their name.
The carillon, which then did strike
Mine ears, was heard of theirs alike:
It set me closer unto them.

I climbed at Bruges all the flight
The belfry has of ancient stone.
For leagues I saw the east wind blown;
The earth was grey, the sky was white.
I stood so near upon the height
That my flesh felt the carillon.


Dante Gabriel Rossetti (1828-1882), oktober 1849


Afbeelding


Lies schreef:
Die Jan Gerardus Jofriet is zo gek nog niet :)

Afbeelding

SACRÉ-COEUR


Als gij wist hóe zeer mijn voeten deden,
maar hóe hoog dit hart is opgevlamd,
nu het verzen regent als gebeden,
waar mijn tong niet langer is verlamd,

ja, dán volgdet gij misschien mijn schreden,
gij, die nú vergeefs de haren kamt
en maar kankert op het korzlig heden,
dat uiteindelijk uit úw onmacht stamt.

Volg mijn klim met uw vermoeide leden
en verhef u uit uw trage sleur,

aan mijn voeten ligt de stad der steden
en zij meesmuilt om uw klein gezeur...

Alle straten tuimlen naar beneden,
maar ik sta hier: votre Sacré-Coeur.


Gerard den Brabander (1900-1968)


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
Die Jan Gerardus Jofriet is zo gek nog niet :)
(...)

Daar zeg je wat, Lies.
Zijn aparte stijl toont verwantschap met de wrange poëzie van Willem Elsschot van wie ik in # 11 reeds een gedicht bracht.
Hier gaat er nog een:


Afbeelding
Patrick Hanke (°1977), ‘Der arme Mann’, 2009


TOT DEN ARME


Gij met uw weiflende handen
en met uw vreemden hoed,
uw aanblik stremt mijn bloed
en doet mij klappertanden.

Verhalen moet gij niet
van uw eentonig leven,
het staat op u geschreven
wat er met u geschiedt.

De letterteekens spelen
om uwen armen mond,
die kommervolle wond
waarlangs uw vingers streelen.

Het klinkt uit uwen tred,
het snikt in uwe kluchten,
het zijpelt uit de luchten,
waar gij u nederzet.

Het komt mijn droomen storen
en smakt mij op den grond,
ik proef het in mijn mond,
het grinnikt in mijn ooren.

Ik zal ter kerke gaan
en biechten mijne zonden,
en leven met de honden,
maar staar mij zoo niet aan.


Willem Elsschot (1882-1960), Rotterdam, 1909


Truusje schreef:
Afbeelding


Feest van het dieptepunt

In de bloedige warmte van de kotten,
wie durft nog te lezen?
En wie durft
in het splinterveld van de ondergaande zon,
tijdens de vloed van de hemel en
de eb van de aarde nog
op reis te gaan, waar ook heen?

Wie durft
met de ogen dicht stil te houden op het dieptepunt,
daar
waar zich altijd nog weer
een laatste wuiven voordoet,
een dak,
een beeldschoon gelaat of desnoods een hand,
een hoofdknik, handgebaar?

Wie durft zich met een
gerust hart weg te laten zinken in
de droom die over het bittere leed der kinderjaren heenspoelt
en de zee als een
handkom water naar je gezicht tilt?

János Pilinszky
Uit ‘Krater’
Vertaald uit het Hongaars door Erika Dedinszky
Ill.: Egon Schiele, 'Selbstbildnis'


Simpel schreef:
Afbeelding

Een kraai bij Siena

Hoe een kraai vliegt over de heuvels
bij Siena: een verkreukelde zwarte lap
boven het koperen landschap.
Werkt zich rot, denk je van onder af,
met die averechtse vleugels.

Door de kijker zijn slimme snavel,
zijn eigenwijs hoofd: hij lapt
het toch maar. Niet de begaafde
vlechtwerken boven de stad
van de zwaluwen - hij blijft een aardse

zitter, die heeft gedacht:
waarom zij wel verdomme? en is opgestegen
om zich verbaasd te begeven
naar dit veel te grote blauw.

Hoe zich deze woorden bewegen
ongeveer van mij naar jou.

Willem van Toorn
Ill.: Van Gogh


Citaat:
Afbeelding


HERBST


Die Blätter fallen, fallen wie von weit,
als welkten in den Himmeln ferne Gärten.
Sie fallen mit verneinender Gebärde.
Wir alle fallen.
Diese Hand da fällt
und sieh dir die andere an,
es ist in allen.
Und doch ist Einer
welcher dieses Fallen
unendlich sanft in Seinen Händen hällt.


Rainer Maria Rilke (1875-1926), uit ‘Das Buch der Bilder’


Lies schreef:
Afbeelding

KLEUTERKLAS


De kleuterklas gaat in het herfstweer wandelen.
De blaren rillen aan de schrale boom.
En die het ziet, hij weet niet hoe te handelen,
van vroeger dromen of een toekomstdroom.

De kinderen - hij hoort hen zo schril zingen,
zo blij hartbrekend dat hij 't hart vasthoudt
bij de gedachte aan de veranderingen.
De blaren zijn zo bevend en zo oud.

De kinderen gaan de wereld tegemoet
en oude blaren dwarrelen voor hun voet.
Zij dringen, lachend schoppen zij ertegen.

Slepend wordt eenmaal ook de lichtste voet.
Op alle welkom volgt de afscheidsgroet
en in de herfstmist schemeren de wegen.


Anthonie Donker (1902-1965)
uit:"De grondtoon"


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
(…)
KLEUTERKLAS
(…)
Slepend wordt eenmaal ook de lichtste voet.
Op alle welkom volgt de afscheidsgroet
en in de herfstmist schemeren de wegen.

Anthonie Donker (1902-1965)
(…)

Dit grijpt Joris van Rode, die gisteren even de naam 'Gast' kreeg, naar de keel, Lies. :((

Afbeelding


KOORTS-DEUN


't Is triestig dat het regent in den herfst,
dat het moe regent in den herfst, daar buiten.
– en wat de bloemen wégen in den herfst;
– en de óude regen lekend langs de ruiten....

Zwaai-stil staan graauwe boomen in het grijs,
de goede sidder-boomen, ritsel-weenend;
– en 't is de wind, en 't is een lamme wijs
van kreun-gezang in snakke tonen stenend....

– Nu moest me komen de oude drentel-tred;
nu moest me 't oude vreê-beeldje gaan komen,
mijn grijs goed troost-moedertje om 't diepe bed
waar zich de warme koorts een lícht dierf droomen,
en 't wegend wee in leede tranen berst....

... 't Is triestig dat mijn droefheid tháns moest komen,
en loomen in 't atone van de boomen;
– ‘t is triestig dat het regent in den herfst....


Karel van de Woestijne (1878-1929)


chica001 schreef:
In vers gras vrijen
om later
veel later
in de dood nog even
na te geuren
als hooi

Jana Beranová


Lies schreef:
Joris van Rode schreef:
[....]Dit grijpt Joris van Rode, die gisteren even de naam 'Gast' kreeg, naar de keel, Lies. :((

KOORTS-DEUN


't Is triestig dat het regent in den herfst,

[....]
Hadden ze een 'Gast' van je gemaakt, het moet niet gekker worden :lol: ...... de wondere wereld van forumland blijft verbazen Joris. Poëzie over de herfst ook. Ik vind het één van de mooiste jaargetijde en het maakt mij gelukkig, terwijl het in de gedichten vaak gaat over afscheid nemen, het ouder worden en de naderende dood.

Niets mooier om met dit weer drijfnat te 'lopen' over glanzende kleikluiten :)

Afbeelding

ZWERM


Geruisloos een verre zwerm
spreeuwen tegen deze herfsthemel
nu eens tot herinnering verdicht
dan weer het vergeten ten prooi.

Met duizenden dagelijks vertrekkend
laten zij iets achter: een licht
magnetisch veld, een circuit.

Drijfnat wordt het hek
de kleikluiten glanzen.

Eén ogenblik worden alle verbindingen
naar alle richtingen verbroken en
hoor ik de woorden als ruis.


J. Bernlef (H.J. Marsman), 1937
uit: "Wolftoon"



"weten wat je ziet is kijken, kijken en nog eens kijken..."

How good is that?


Simpel schreef:
Afbeelding

Heimwee

Toen Alfa voor het eerst zijn Bet ontmoette,
Heeft hij haar lang met kennersblik aanschouwd.
En nog dezelfde dag deed hij zijn aanzoek
En nog dezelfde maand zijn zij getrouwd.

En waren samen letterlijk gelukkig
En hadden lief in letterlijke zin.
En Bet schonk na verloop van negen maanden
Het leven aan een vierentwintigling.

Dat was de aanvang van de overwinning
Van dit geletterd, kinderrijk geslacht
Dat duizendtallen dromen heeft geschapen
Maar honderdduizenden heeft omgebracht,

Dat menig bibliotheek heeft volgelogen,
Dat daaglijks smaad schrijft in het ochtendblad,
Dat laster pleegt in duizend conversaties,
Dat roddelt op het land en in de stad.

En was de dichter niet ter hulp gekomen,
En wisten wij na alle laster niet
Dat wat in proza enkel maar kan liegen
Tot waarheid wordt gelouterd in een lied,

Wie zou dan niet de tijd terug begeren,
Toen Alfa vrijgezel was en haast stom?
Wie zou niet liever vreedzaam vegeteren
In een sereen analfabetendom?

Daan Zonderland


Citaat:
Afbeelding


BLAUW


kleine droefheid roept en raast
als regen in de duinen
kleine droefheid kijkt verdwaasd
naar de bramen neder.

zwarte vrucht van droefheid
in de regen, zoet en koud
roept en raast, verdwaasd en teder.
koude duinen, wolkenblauw

bewaasd, omringen de verdwaalde
droefheid, stervend haast,
die in al haar kleinheid
roept en raast.


Anneke Brassinga (°1948), uit ‘Aurora’, 1987



Joris van Rode schreef:
Afbeelding


BLAUW


kleine droefheid roept en raast
als regen in de duinen
kleine droefheid kijkt verdwaasd
naar de bramen neder.

zwarte vrucht van droefheid
in de regen, zoet en koud
roept en raast, verdwaasd en teder.
koude duinen, wolkenblauw

bewaasd, omringen de verdwaalde
droefheid, stervend haast,
die in al haar kleinheid
roept en raast.


Anneke Brassinga (°1948), uit ‘Aurora’, 1987


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#5  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:16 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Joris van Rode schreef:
Afbeelding


HET EZELTJE


In de korte, blauwe schemering
deed ik een kleine wandeling.
De grond was rood, gebarsten-droog.
De lucht was dun en vreeslijk hoog,
en blauwe distels stijf en grillig
ritselden driftig en onwillig.
Stil grazend naast een grijze rots
zag ik opeens op hoge benen
een jonge ezel; zijn oren schenen
doorzichtig, zijn gelaat was trots.
Zijn lange, ambren ogen blonken
als water, ernstig en bezonken
en onpartijdig was zijn blik.
En na een korte, felle schrik
verstarde ik in verwondering.
Of kan het eerbied zijn geweest
voor dit schoon, ongeschonden beest,
waarmee ik langzaam verder ging ?
Een pijnlijke herinnering:
zo ben ik vroeger ook geweest.
Die gaafheid en zachtzinnigheid,
onzware ernst en droomrigheid,
oh kon ik dat nog ééns herwinnen,
kon ik nog ééns opnieuw beginnen.


Maria Vasalis (1909-1998), uit ‘Parken en woestijnen’


Lies schreef:
Na het gedicht elders van Ramsey Nasr even bijkomen met Charles Baudelaire

Afbeelding

DE HALVE WERELD IN JE HAAR


Laat me lang, heel lang de geur van je haar inademen en
heel mijn gezicht erin dompelen als een dorstig man in
het water van een bron. Laat me het als een geurende
zakdoek heen en weer bewegen en er herinneringen uit
schudden.
Als je eens wist wat ik allemaal zie, wat ik voel, wat ik
hoor in je haar! Mijn ziel zweeft weg op geur zoals de
ziel van anderen op muziek.
In jouw haar huist een droom, vol zeilen en masten.
Er huizen uitgestrekte zeeën in en hun moessons dragen
me naar betoverende landstreken waar de ruimte
blauwer en dieper is, waar de atmosfeer geurt naar
vruchten, bladeren en menselijke huid.
In de oceaan van je haar ontwaar ik een haven vol
weemoedig gezang, waar het wemelt van krachtige
mannen uit allerlei landen en van schepen met allerlei
vormen, die met hun fijne en ingewikkelde bouwsels
afsteken tegen een onmetelijke hemel waarin de eeuwige
warmte zich genesteld heeft.
In het strelen van je haar hervind ik de loomheid van
de lange uren die ik doorbracht op een divan in de hut
van een mooi schip, waar ik te midden van potten
bloemen en kruiken koel water gewiegd werd door de
nauwelijks merkbare deining in de haven.
In de vlammende haard van je haar adem ik de geur in
van tabak, opium en suiker; in de nacht van je haar zie ik
de eindeloosheid van het tropisch azuur schitteren; op
de donzige kusten van je haar bedwelm ik me aan de
geuren van teer, muskus en kokosolie.
Laat me heel lang in je zware, zwarte vlechten bijten.
Wanneer ik aan je soepele en weerbarstige haren
knabbel, lijkt het of ik herinneringen eet.


Charles Baudelaire (1821-1867)


In het Frans heet het gedicht "UN HÉMISPHÈRE DANS UNE CHEVELURE,
en is vertaald door Thérèse Fisscher en Kees Diekstra


Simpel schreef:
In herinnering aan Satertje

Afbeelding

Wees

Ik ben te lang wees om nog van ouders
te zijn. Ik ben van tussen mijn eigen
opgehaalde schouders.

Als ik verder nog ergens van ben, is het
van mijn generatie. Ik wou goed luisteren
naar mijn tijd en daar altijd van maken.

Hoe deed je dat? Ik zou het niet weten.
Door niet te weten, bijvoorbeeld.
Een gedicht was iets

wat je kreeg, iets van al deze anderen
aan jezelf. En dan wist je: dàt was het
wat ik niet wist. En je schreef het op.

En je bleef eraan veranderen, tot je niet meer
kon veranderen, je regels niet, jezelf niet.
En het veranderde je.

Herman de Coninck


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


HET DUINHUIS


Verdwaald in het bos
stond een blind huis.
Een hoge boom speelde
door het dak verstoppertje
met de spottende bomen.
Daar mochten wij nooit komen.
Zwarte dromen schuilden daar.
Toch gingen we er, om samen
bang te kunnen zijn.
Als dan een houten vinger tikte
tegen de maan liepen we hard weg.
Zwarte voetstappen achtervolgden
ons tot bij de lichtjes op de dijk.


Daniel Billiet (°1950), uit ‘Alleen aan zee is de kust veilig’, 1993


Lies schreef:
Afbeelding

Het bladerloze licht
van een herfstdag zonder wind
maakt oude mensen
ontroerend mooi.

Doordat zij de worsteling
met het verval al lang
hebben gestaakt en spiegels
niet meer vrezen, zijn zij
broos geworden en doorschijnend
als gesponnen glas met de zachte
mysterieuze glans van zilver.


Hanny Michaelis (1922-2007)
uit: "Verzamelde gedichten"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Caspar David Friedrich (1774-1840), Spaziergang in der Abenddämmerung


Dämmrung senkte sich von oben


Dämmrung senkte sich von oben,
Schon ist alle Nähe fern;
Doch zuerst emporgehoben
Holden Lichts der Abendstern!
Alles schwankt ins Ungewisse,
Nebel schleichen in die Höh;
Schwarzvertiefte Finsternisse
Widerspiegelnd ruht der See.

Nun im östlichen Bereiche
Ahnd ich Mondenglanz und -glut,
Schlanker Weiden Haargezweige
Scherzen auf der nächsten Flut.
Durch bewegter Schatten Spiele
Zittert Lunas Zauberschein
Und durchs Auge schleicht die Kühle
Sänftigend ins Herz hinein.


Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), 1827


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
(...)

DE HALVE WERELD IN JE HAAR

(...)
Laat me heel lang in je zware, zwarte vlechten bijten.
Wanneer ik aan je soepele en weerbarstige haren
knabbel, lijkt het of ik herinneringen eet.

Charles Baudelaire (1821-1867)
(...)

Afbeelding


HAAR


met een blond haar
bond ze mijn handen
bij elkaar

ik lachte me ziek:
die boei
is zo gebroken!

maar hoe ik ook rukte
het lukte me niet
ik was geketend

nu hangt mijn leven
aan een haar: ik volg haar
als een hondje


Paulos Silentarios (6e eeuw)


Vertaald uit het Grieks door Paul Claes (°1943)


Lies schreef:
"nu hangt mijn leven
aan een haar: ik volg haar
als een hondje"


Zoiets moois :) ben ik ook in een gedicht tegengekomen, dat wordt dus weer zoeken.....heerlijk :love: !!!



Afbeelding


'De lippen van het water' spitsen zich
verlangend naar de avond boven zich,
zij rollen terug, zoenen de lucht
waarvan het strakgetrokken caramel
gesmolten is en in de einder zakt.
Een donkerblauw welft zich in hogere
positie en wint veld.

Het water ketst een amberkleurig licht
en plooit het, vouwt het, lispelend in zichzelf
verdiept, verliefd op het schommelen van zijn golven.
De nacht valt over het in zee gedolven
graf waarin een eerste ster zich legt.
Zo is het water als de dagen zacht zijn
rond Sint Maarten.


Elly de Waard (geb.1940)
uit: "Luwte"


Joris van Rode schreef:
Een gedicht voor Allerzielen:

Afbeelding


Bij avondschemer is hij uitgedragen...


Bij avondschemer is hij uitgedragen
haastig en stil als werd hij weggeroofd;
de zachtste klok snikte driemaal gedoofd
alsof driemaal een deur dichtviel met doffe slagen.

Achter zijn uitvaart staan de zuivere dagen
des zomers puilende van groen gereed
om met zacht gras, traag als het menselijk leed,
de plek te dempen die zijn naam zal dragen.


Anton van Wilderode (1918-1998), uit ‘Zachtjes, mijn zoon ligt hier’, 1988


Lies schreef:
Afbeelding

DERDE NOVEMBER


Een uit het landschap opgebroken dorp
met roze roestvlekken van nieuwe huizen
en grijze wegen die het groen doorkruisen,
de horizon vormloos een hoge stort.

Op zwarte fietsen rijden regenheren
in oliejekkers sulfergele schilden,
als door rukwinden telkens opgetilde
tot vliegen onbekwaam geworden kevers.

Zij blazen woorden in elkanders nek,
door ademnood en jaskragen versmachte
sillaben uit een horde van gedachten
die in hun hoofd bijeenstaan op één plek.

De dag is oker als een maandagmorgen
wanneer het sneeuwen pas heeft opgehouden,
de bomen staan ontelbaar, in hun koude
bewegingloosheid inniger verbonden.


Anton van Wilderode ((1918-1998)
uit: "Verzamelde gedichten"


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
(…)

DERDE NOVEMBER

(…)
De dag is oker als een maandagmorgen
wanneer het sneeuwen pas heeft opgehouden,
de bomen staan ontelbaar, in hun koude
bewegingloosheid inniger verbonden.

Anton van Wilderode ((1918-1998)
uit: "Verzamelde gedichten"

:smile: Zou het niet goed zijn de novemberkilte achter ons te laten om met Anton van Wilderode een tijdje in Griekenland en Italië te vertoeven?

Om te beginnen verbindt Van Wilderode het Ionische eiland Ithaka dichterlijk met zijn Waaslandse heimat:

Afbeelding


IVOOR EN BROOD


In Ithaca zingen de nachtegalen
boven de cederwouden bij de zee
die op de rotsen ruist als aan cimbalen;
de sterren bloeien tot een wilde sneeuw.
Een kleine tempel staat verborgen tussen
geboomte en water, tot een waas verhit,
de wingerd bindt zijn zoetbloeiende lussen
over de zuilen, brekelijk en wit.
Hier wilde ik jong zijn en de zee vernemen
vanuit de verte, liggend in het gras.
In zilver duizelhoog trekken triremen
zwijgende zwanen langs in hel kuras.
Een palle julizon verspilt haar pijlen
van pulverend licht binnen het labyrint
der zuilenhal; de holle hand der zeilen
staat trillend opgestoken naar de wind.

Hier in het Waasland roepen wielewalen
en stoorloos boort de kleine beek haar loop,
de kanada luidt hier zijn krans van kralen
wanneer de lente klimt uit onze hoop.
En lieflijk legt een loverwolk zich neder
binnen de dreven in het welig dal,
de witte madelieven schuimen weder
over de weiden als een hagelval.
De dieren lopen in een dartel grazen
onder de wilgen waar een vogelnest
zachtjes te wiegen hangt en knapen blazen
in fluiten voor het luisterend gewest.

Het is dezelfde stem waarmee de dichters spreken
vermits hun taal waait op de pinksterwind,
als rozen die verdeeld uit hare ruiker breken
en die een latere hand tezamen bindt.


Anton van Wilderode (1918-1998), uit Najaar van Hellas, 1947


Lies schreef:
Naar buiten kijkend :rain: zal het goed doen , ik ga op zoek naar de zon :krantjekoffie: , om die tijd te overbruggen toch een vraag van Victor Vroomkoning ;)

Afbeelding


NOVEMBER


Wie ontkomt aan de zeis
van november, de reis
naar de grond? Soms
probeert een blad nog
een verroeste vlinder,
roept een windstil uur
kale prille lente op,
vergist een vogel zich
in je tuin. Maar je hoeft
je niets wijs te maken:
alle leven moet eruit.

Sommigen slaan met de
ganzen op de vlucht
in plaats van naar de
eigen angst te trekken.
Hoe komen ze terug?
Hoe wik je zomer
zonder winter in je rug?


Victor Vroomkoning (geb. 1938)
uit: "De Tweede Ronde"


Lies schreef:
Afbeelding


DELPHI


Het hek staat open en het pad omhoog
ligt dichtbezaaid met bijgeloof en zon. Wij
hangen tas en fototoestel om. Het dunne
zand dat zich in huiden vlecht, verlaat

met ons de plek. We kwamen hier terecht
via herinnering en een getaande hoop;
er zouden tempels, het gezang klonk hoog.

Restanten steen in slagorde van dood
wijzen ons bot terecht. Noch god noch
muze zij geloofd, Apollo is verdwenen.
Men heeft een koord rond het gemis gelegd.

Lang, blond, gebronsd zo had ik hem gedacht,
zeg ik. Je lacht, dwaalt af naar waar een
vage boog je in de oudheid mengt.

En een moment buig je de eeuwen
om, word je de speler die me juist
verliet, speel je het oudste, wreedste
spel: ik wil je wel ik wil je niet.


Hester Knibbe (geb. 1946)
uit: "Een hemel van vlees"


Joris van Rode schreef:
Ook dit is maar een kleinigheid.

Afbeelding
Dit geldstukje van de stadstaat
Athene vinden was niet moeilijk



MUNTSTUK MET UIL


De ronde bolle ogen onbeweeglijk,
de spitse bek gesloten bijna innig
de veren vol nog van een suizend vliegen
onder de zilvermist van de olijven.

Een kleine munt die in mijn handpalm ademt.


Anton van Wilderode (1918-1998)


chica001 schreef:
Het water van de zee is altijd zout,
Hoe men de suikerpot ook mag hanteren,
Geagiteerd over het strand marcheren,
Terwijl de wind de brandingkoppen krauwt;
Een borstbeeld hakken uit scheepstimmerhout,
Des nachts, in droom, met meerminnen verkeren,
Tarbot fileren of Neptuin vereren:
Het water van de zee is altijd zout.

Daar helpt geen moederlief, geen vaderstout,
Geen bokken, dokken, knokken of gekscheren,
Geen brein van boterkoek, geen hart van goud:
Of men voor dames voelt of meer voor heren,
Het water van de zee blijft altijd zout.


Cees BUddingh


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


EILAND
(Capri)


Sorrente, als een sprong in zee,
aan onze linkerhand,
en, op de verte, de camee
van Capri's dromenland.

Het water voert het zonlicht voort
tot in de havenkom
en slanke vissen dwalen door
de heldere dalen om.

O wind die aan de heuvel ligt
in elke kleine tuin;
o donkere knaap die als een schicht
uw sprong neemt naar het schuim.

Wij duiken beiden om de buit,
om het onvatbaar schoon:
gij haalt de diepe bodem uit,
ik roof mijn lichte droom.

En deze blanke avond zingt
de wind dicht aan ons oor:
wie dit geluk bewaart, bemint,
gaat álle nachten door.


Anton van Wilderode (1918-1998)


chica001 schreef:
I Made A Mistake by Charles Bukowski
I reached up into the top of the closet
and took out a pair of blue panties
and showed them to her and
asked "are these yours?"
and she looked and said,
"no, those belong to a dog."
she left after that and I haven't seen
her since. she's not at her place.
I keep going there, leaving notes stuck
into the door. I go back and the notes
are still there. I take the Maltese cross
cut it down from my car mirror, tie it
to her doorknob with a shoelace, leave
a book of poems.
when I go back the next night everything
is still there.
I keep searching the streets for that
blood-wine battleship she drives
with a weak battery, and the doors
hanging from broken hinges.
I drive around the streets
an inch away from weeping,
ashamed of my sentimentality and
possible love.
a confused old man driving in the rain
wondering where the good luck
went.


mallemeid schreef:
Afbeelding

Verslag van de uitgezonden bode?

Achter duinen zag ik ijzer
In een geul door zand stromen
Toen ik bij de brug kwam. Maar eerst
Zocht ik de bron van het ijzer.
Toen ik de bron van het ijzer
Gevonden had, keerde ik terug
Naar de rivier. Ik verdwaalde
In het ijzer onder de brug
Aan het water. Gekruiste balken,
Klinknagels dreven het zweet
Uit mijn gezicht. Ik ging terug
Naar de bron van het ijzer,
Niet bang voor het ijzer, bang
voor de brug.

Harry Mulisch


Lies schreef:
Afbeelding


ZEEWIND


Wij leven steeds weer in de reis terug.
Wij strooien snippers van de kleinste dingen
in witte linten met herinneringen
op stilstaand water van de ophaalbrug.

De blanke stoet van stippen rijgt de kringen
tot omtrek van de reis achter de rug,
waarin de vuurdoop van de vlokken vlug
verwatert en verdwijnt in rimpelingen.

Dan fluistert wind weer hoe de zeewind speelt,
vlakbij de kust zijn naam in water schrijft,
in spiegels opbloeit en de golfslag drijft
tot waar de branding blanke oevers streelt,
bruisend ontglipt, zacht langs de schelpen scheert
en tuimelende op de weerzee keert.


Piet-Hein Houben (geb. 1931)
uit: “Stille sonnetten”


Floortje schreef:
Afbeelding


In memoriam mei

Ik, Harry Kurt Victor Mulisch, volle zoon van alle muzen
ik was de gloeiende bode van vuur, komend van niets
was ik op weg naar een brandnieuwe mythe.

Ik was het goudstof en de wind, ik was ibis, piramiden
ik was een ommekeer in inkt, ik was het duizendjarig licht
ik was de pijp, het Leidseplein, ik was een pupil van onsterfelijkheid.

Ik was de kogelvrije vlinder en de kern van alle oorlog
vulkaanzwemmer, godeneter, ik, de keizer van het lot
ik was de heimat, ik was ballingschap: ik was de Paradox.

En hier, binnen in dit eenpersoonsheelal, mijn blauwe labyrint
waar alle vingers doven – langzaam op de tast, hier bleef ik over.
De dood is mijn broekzak: Grote Eén gaat trap na oneindige trap.

Met de tocht in mijn botten en een uitzicht zonder god
zo blijf ik, Harry Mulisch, de ontdekker van uw hemel.
Ik was de brenger van letter en stof. En als u sterft, dan leef ik nog.

Ramsey Nasr


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


EN


En, langs het atrium der Vestalinnen
en op de Via Appia Antica gaan
en onder Titus- en Augustusbogen
en voor de David van Bernini staan,

en uit het Pantheon de mussen horen,
en in de buurt de kuil der katten zien,
en door de parken van Maecenas lopen,
en naar de graven der Horatii,

en zitten in de kerk van San Clemente,
en bij de echo's van een springfontein,
en luisteren naar de blinkende Najaden,
en in een kloostertuin gelukkig zijn,

en door Rome zonder tijd bewegen,
en als een pelgrim in de warme nacht,
en in de kokers van het Colosseum kijken.
En leven in een staat van overmacht.


Anton van Wilderode (1918-1998)


Afbeelding


Lies schreef:
......voor even naar Spanje :)

Afbeelding

ALHAMBRA


De rozen staan verpulverd in de nissen
en op de vijver draait een nenufaar
traag rond zichzelve. Valken duikelen naar
het haastig runenschrift der hagedissen.

Fonteinen waaien ruisend uit de lissen
eentonig zingend op één dunne snaar.
Het diepe water maakt zich openbaar
tot in het mauve rijk der edelvissen.

Hier kan men eeuwig naar legenden gissen
die groeien als een groene varenplant
schichtig en maatloos uit het ongewisse.

Maar slechts één helle roos ligt in mijn hand
brandende schier en bant de duisternissen
die ik hierwaart meevoer uit mijn donker land.


Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: "Het land der mensen"

Afbeelding


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#6  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:18 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
chica001 schreef:
Het strand was stil en bleek
Ik zat doodstill en keek
naar de blauwe rimpeling-
er was ook windgezing

Ik wist wie naast me zat
wit rokkig en ze had
roosrood het gladgezicht-
er was ook veel zonlicht


Herman Gorter


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


LIEDJE OP HET DEK


Ik, als ik wegga van hier
weer naar mijn winterlijk land
houd slechts een reis van papier
vederlicht in de hand

weer naar mijn winterlijk land
vaar over algen en wier
ver van het ver oeverland
dat ik met vleiwoorden vier

houd slechts een reis van papier
vager allengerhand
luchtspiegeling door een kier
vergezichten van zand

vederlicht in de hand
letters een lied voor de lier
al door verlies overmand
ik; als ik wegga van hier.


Anton van Wilderode (1918-1998)


Lies schreef:
Nog ééntje van Piet-Hein Houben met een afbeelding van Toscane.

Afbeelding

UITZICHT


Op deze heuvel met het wijde zicht,
de vrije hemel, de verheven bomen
wordt weinig van de wereld waargenomen,
is elke steen verlost van zijn gewicht.

Voor geur van boslucht, vlinders losgekomen
ontglimt het landschap in een zee van licht,
gaat elke dag op afscheidsvuren dicht
en laat de nacht de sterren binnenstromen.

Oneindig klein de vensternis die ziet
op wat er verder ligt, oneindig groot.
Onder de welfboog van dit ruim verschiet
verbeeldt zich een heelal wel onbemeten;
daar maakt het uitzicht mij de reisgenoot
van wie geen naam heeft, van wat niet kan heten.


Piet-Hein Houben (geb. 1931)
uit: “Stille sonnetten”


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


HET HUIS


Als mij de nacht bereikt ben ik alleen.
Alleen mijn ogen blijven nog bewegen
waaks achterdochtig of ze uitvalswegen
ontdekken wilden in de wand van steen

die zelfs geen kou doorlaat geen tocht en geen
verraderlijke vochtplekken van regen,
elk venster in zijn sponning sluit terdege
een eikehouten luik eroverheen.

Gevangen zonder opstand of geween
waak ik het weerlicht van de morgen tegen
gelaten in de lange stoel gelegen
geleidelijk verkild van kop tot teen.


Anton van Wilderode (1918-1998)


Lies schreef:
Afbeelding

GELUK


De maan vannacht scheen mij een sneeuwen bloem
en geurloos bloeiend in het park der sterren.
Gelukkig hart, uw leeftocht reikt nog verder,
sprak ik mijzelve zonder tweedracht toe.

En door het raam deed ik, tot haar gericht,
langzaam en lachende mijn reverentie
die zij aanvaardde en weerzond, met clementie
mijn kamer zettend in een hoos van licht.


Anton van Wilderode ((1918~1998)


Joris van Rode schreef:
Nog wat verlate Allerzielenstemming…


Afbeelding


SPREKEN MET VADER


Vader, wij hebben u begraven en de grond erkend
zacht om te slapen, zacht om te vergeten:
zand dat vervloeit en water, ongeweten,
herinnering en droefheid voormaals onbekend.

Gij zult niet eenzaam zijn, maar slapen, slapen
met sterren 's avonds een onblusbaar vuur
en, rond uw eiland, het traag stromend water.
De bomen wuiven tijdeloos en ieder uur.

Gij zult niet eenzaam zijn. De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.

Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.


Anton van Wilderode (1918-1998)


Joris van Rode schreef:
Een gedicht voor 11 november, Wapenstilstandsdag:

Afbeelding
Käthe Kollwitz-Schmidt (1867-1945), ‘Het Treurende Ouderpaar’ (1932)
op het Deutscher Soldatenfriedhof Vladslo bij Diksmuide.


DE OUDERS
Bij Het ouderpaar van Käthe Kollwitz


Enkel de ouders bleven om te treuren
in hun geledigd huis van vroeger
waar zij de wederkeer der zoons verwachtten.
Toen géén terugkwam sloten zij de deuren
en liepen met verdrietige gedachten
de wegen westwaarts door de zomernachten.

Hun starlings ijlgeschreide ogen zagen
de dorpen nauwelijks waarlangs zij kwamen
en niet de kinderen met andere namen
rumoerend achter toegegroeide hagen.
Berichten die zij gaandeweg vernamen
verzwegen zij voorgoed alleen en samen.

Hun zoons waren niet langer meer soldaten
maar knapen uit de ongeschonden dagen
met vrolijkheden en geringe vragen,
scholieren later heerlijk uitgelaten
en jongemannen die met welbehagen
hun veel te mooie uniformen dragen.

Een stad voorbij, een lange weg ten einde
hielden de ouders stil. Zij waren node
en voor de toekomst niets dan echtgenoten
die keken naar de weerschijn van de weide
waar op een groeizaam zomerbed van zoden
de zerken lagen van de jonge doden.

En bleven doodstil staan, armen en handen
aaneengesloten zonder holten tegen
hun langzaam lichaam, monden moegezwegen
gereed om zonder adem te verzanden
om steen te worden, knielend neergezegen
onder de lafenis van lange regen.


Anton van Wilderode (1918-1998), uit ‘Zachtjes, mijn zoon ligt hier’, 1988.


Lies schreef:
Afbeelding


CAFÉ


Van dit tafeltje in het café,
Waar op wintermiddagen de tuin van rijp glinsterde,
Ben alleen ik nog over.
Ik kan er binnengaan, als ik wil,
En trommelend met mijn vingers in de kille leegte
De schimmen oproepen.

Op de ruit dezelfde winterse waas,
Maar niemand die binnengaat.
Het hoopje as,
De rotte plek met kalk bestrooid
Nemen hun hoed niet af, zeggen niet vrolijk:
Laten we er eentje drinken.

Ongelovig betast ik het koele marmer,
Ongelovig betast ik mijn eigen hand:
Die – is , en ik ben middenin de geschiedenis.
Maar zij zijn voor eeuwig opgesloten
In hun laatste woord, hun laatste blik.
Zij zijn even ver als keizer Valentinianus,
Als de leiders van de Massageten, over wie men niets weet –
Ofschoon amper een jaar, of twee, drie, is verstreken.

Ik kan nog houthakker worden in de wouden van het hoge noorden,
Ik kan het woord nemen op een tribune of ik draai een film
Op een wijze die zij niet kenden.
Ik kan de smaak proeven van vruchten van over de oceaan,
Mij laten fotograferen in een pak uit de tweede helft van de eeuw,
Maar zij zijn voor altijd als die borstbeelden in jabot en rok
Uit de monsterlijke Larousse.

Maar soms, wanneer het avondrood de daken kleurt in de steeg
En ik naar de hemel kijk – zie ik daar, in de wolken,
Een wankel tafeltje. De kelner tolt rond met een dienblad.
En zij kijken mij aan, schudden van het lachen,
Want ik weet nog niet, hoe je omkomt door een wrede mensenhand.
Zij weten het, zij weten het goed.


Czeslaw Milosz (1911-2004)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Gebroeders van Limburg, getijdenboek
‘Les très riches heures du duc de Berry’
November, detail (begin 15e eeuw).


NOVEMBER


Voorlaatste maand, bijna de Benjamin,
En zoo veelvervig als een Jozefsrok, –
Ook Jozef moest de donk're groeve in,
Waar hem de ijverzucht der broeders trok, –

Gij hebt in u iets van een zondebok,
Maar ook iets van een heugelijk begin;
Gij zijt de wijn, de lust, de laatste slok, –
Neen, de vóorlaatste: en dat is uw zin.

Al wat nog niet gestorven is mag leven
In deze rijke dubbelzinnigheid,
Die zich als luchtspieg'ling voor 't einde plaatst.

Geen aarzeling deed Abrams slachtmes beven,
Maar 't weten: al wie zich gelaten kwijt
Van 't vóorlaatste bewaart zijn God voor 't laatst.


Simon Vestdijk (1898-1971), uit ‘Gestelsche liederen’, 1949


Lies schreef:
Afbeelding

NOVEMBER

Die winter kom my te na,
die mis het te veel verteer,
wat ek met my mee wou dra
het die ewenaar afgekeur.
In nederige skemering
laat die son sy bestaan vermoed,
reëndruppels trommel: dis goed,
dis gedaan, dit is uitgedoof.
Die wekker wek my, ek sing
en wandel in geloof.


Elisabeth Eybers (1915-2007)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


OUDE VRIEND


Ze vallen meestal tegen als je ze herleest,
de boeken, die je ooit (figuurlijk) hebt verslonden,
want wat je daar ook vroeger mooi aan hebt gevonden,
dat blijkt dan op zijn hoogst inmiddels mooi gewéést.

En toch... Je pakt wel eens een bandje uit een kast,
blaast er het stof af en al bij de eerste zinnen
wandel je lang vergeten paradijzen binnen,
weer als vanouds ontroerd en weer opnieuw verrast.

Een vriend van wiens bestaan je amper nog iets wist,
maar die je al die jaren pijnlijk hebt gemist.


Jan Boerstoel (°1944), uit ‘Altijd het niemandsdier’, 2001


Lies schreef:
Een beetje licht en kleur mag wel op deze morgen :)
Daarom een mooie van Wilma Stockenström, voor mij onbekend.....maar met google kom je een end.

Afbeelding

SCHEPPEND


Op een dag hield de schepper
zijn schepping op zijn hand, zoals een
kind een vlinder, en trillend
weken de gebrandschilderde vleugels uiteen.
Machtig de kleuren die gloeiden als godheden

gloeiden, open, dicht, met veel
vertoon, de vleugels voor dag en nacht.
De schepper voelt nog de pootjes
fijntjes op zijn vingers en verwondert zich
over wat hij heeft vermocht: het opvouwen

van een vol, goudstofoverdekt licht,
en zoals dat maar gaat met scheppen,
bedenkt hij er, trots en nederig, nog eentje,
nog zo'n lieflijk lichtzinnige vlinder,
bij herhaling, de eeuwigheid ter wille.


Wilma Stockenström (geb. 1933)
uit: "Voor de bijziende lezer"

Vertaling uit het Zuid-Afrikaans door Robert Dorsman


Joris van Rode schreef:
Dit gedicht moet geschreven zijn op een dag als deze 14de november:

Afbeelding


NOVEMBER


Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan den tijd;
Altijd november, altijd regen,
altijd dit lege hart, altijd.


J.C. Bloem (1887-1966), uit ‘Het verlangen’, 1921


Lies schreef:
Afbeelding


ALS NOVEMBER IS GEKOMEN
Rondeel


Als november is gekomen
en de regentijd breekt aan,
als de bomen in de laan
- ach, de bladerloze bomen! -

om de glorie, hun ontnomen,
in de mist te schreien staan,
als november is gekomen
en de takken traan op traan

op den vochten grond doen stromen,
waar de bladerkens vergaan
na hun goude' oktoberdromen
en hun korten vrijheidswaan -
als november is gekomen...


Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: "Laatste verzen", 1923


chica001 schreef:
Bajonet op!

Ik weet niet, waar ik sterven zal,
En of zoo'n roemrijk ongeval
Bij 't attaqueeren,
Den frontsoldaat, die moordend heeft
Zich loflijk naar z'n graf geleefd,
Mag intresseeren.


Ik weet niet, waar ik sterven zal,
Of gas-, torpedo-, luchtaanval
Het mij zal leeren,
En of ik, hangend in het draad,
Zal tobben hoe zoo'n houding schaadt
Aan 's konings kleeren.


Ik weet niet, waar ik sterven zal
En of ik straks of bijgeval
Reeds ben vergeten.
En of de bruid, waar ik voor val
Haar rouw confectie koopen zal
Of aangemeten!!

Willem van Iependaal


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
(…)
ALS NOVEMBER IS GEKOMEN

(…) de bladerkens vergaan
na hun goude' oktoberdromen
(…)

Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: "Laatste verzen", 1923

Laat ons nog even teruggaan naar de “goude’ oktoberdromen”:

Afbeelding


GELIEFDE HERFST


Met gouden kleuren rond uw huis
heb ik mij deze herfst verkoren
om vaak het tedere geruis
van fijn fluweel te horen...

Een dolle sneeuw uit elke kroon
de bladeren verloren,
maar aan ons hart zo teer en schoon
gevoel van rust geboren.

Nog: talloos in de schemering
de sterren opgestoken
en over elke herinnering
het laatste woord gesproken.


Anton van Wilderode (1918-1998)


Lies schreef:
Ik ga mee met een oktobergedicht, want vanmorgen was in november het 'door stilte en mist omgeven' hetzelfde :)

Afbeelding

OCTOBER


Teeder en jong, als werd het voorjaar
maar lichter nog, want zonder vruchtbegin,
met dunne mist tusschen de gele blaren
zet stil het herfstgetijde in.

Ik voel alleen, dat ik bemin,
zooals een kind, iets jongs, iets ouds,
eind of begin? Iets zoo vertrouwds
en zoo van alle strijd ontheven -
niet als een einde van het leven,
maar als de lente van den dood.

De kruinen ijl, de stammen bloot
en dit door stilte en mist omgeven.


M. Vasalis (1909-1998)
uit: "De vogel Phoenix"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


Als kil en grijs novemberschemering


Als kil en grijs novemberschemering
de beelden wekt van zon en zomerdag,
zie 'k vaak, hoe 'k toen in paarse heide lag
en tóen onder flikk'rende beuken ging.

Maar vaak smelt al wat ik van zomer zag,
tesaam tot één gevoelsherinnering,
een blauwe stille nevel, waar geen ding
door zware apartheid scheurt 't zwevende rag.

Zo zie ik vaak, die ik heb liefgehad,
als zomerdagen, stralend alle, staan;
ze zijn weer jong, en jong weer ben ik zelf.

Maar soms zijn de apartheden weggegaan.
En 't is, als was mijn ziel een blauw gewelf,
vol stil geluk, één tijdeloze schat.


Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)


Lies schreef:
Afbeelding

NOVEMBER


November is een huis om te bewonen
wanneer het water in de sloten stijgt,
beveiligd voor bedenksels en demonen
en het gespuis dat uit de vlierboom dreigt.

Het is een maand van luisteren en lezen,
de eikeblokken kraken in de haard.
Gewoon maar zitten en gelukkig wezen
met wat ik voor de winter heb bewaard.

Het spooksel van de nacht mogen bezweren
zolang de duizel van het slapen niet
begonnen is met wentelen en keren
tot op de ligzij van het oud verdriet.


Anton van Wilderode (1918-1998)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


O süßes Nichtstun


O süßes Nichtstun, an der liebsten Seite
Zu ruhen auf des Bergs besonnter Kuppe;
Bald abwärts zu des Städtchens Häusergruppe
Den Blick zu senden, bald in ferne Weite!

O süßes Nichtstun, lieblich so gebannt
Zu atmen in den neubefreiten Düften;
Sich locken lassen von den Frühlingslüften,
Hinabzuziehn in das beglänzte Land;
Rückkehren dann aus aller Wunderferne
In deiner Augen heimatliche Sterne.


Theodor Storm (1817-1888)


Simpel schreef:
Afbeelding

November

Er hangen nog twee blaren
aan mijn esdoorn. Duizend andere zijn
rood geworden, alvorens dood.
Vergeten te kijken.

Vergeten gelukkig te zijn.
Nochtans had ik een tuin
waarin een stoel, en die stoel
had mij, en ik had een hand

en die hand had een glas
en mijn mond had meningen
Alles had.
Alles had ons.

Herman de Coninck


Lies schreef:
Afbeelding


NOVEMBER


November. Er is winter
achter het denken. Laatste bladeren
vangen zon en vallen af,
droge tranen. Hoe lang geleden
werd de wereld in haar herfstigheid
jonger aan de huid, stookte verwachting
koude tot vuur om, vernam het oor
hartslagen in het dode en verscheen
wereld na wereld aan de horizon.

Nu gaat de dag zijn weg alleen,
vervalt tot stof, wordt weggevaagd
uit het geheugen en verkleurt
het donker tot een niet te vermurwen
duurzaamheid.


Maurits Mok (1907-1989)
uit: “Laat getijde”


Truusje schreef:
Afbeelding


November

Lief is de lucht achter de herfstige boom
en lief zijn al die blaadjes aan de lucht,
doorzichtig van geluk en ouderdom,
als oude vrouwen met het laatste geld op zak
dat zij verkwisten voor een kinderdroom
die levenslang niet werd vervuld.

Adriaan Morriën
Uit zijn 'Verzamelde gedichten’


Joris van Rode schreef:
Mijn voorraad herfstpoëzie is uitgeput.

Ik grijp terug naar een klassieker uit de schooljaren:

Afbeelding


VAN DE ZEE
Aan Frederik van Eeden


De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zichzelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend schoon en kent zichzelve niet.

Zij wist zichzelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd òm en keert weer waar zij vliedt,
Zij drukt zichzelven uit in duizenderlij lijning,
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.

O, Zee was Ik als Gij in àl uw onbewustheid,
Dàn zou ik eerst gehéél en gróót gelukkig zijn;

Dán had ik eerst geen lust naar menselijke belustheid
Op menselijke vreugd en menselijke pijn;

Dan wàs mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid
Zou, wijl Zij groter is dan Gij, nóg groter zijn.


Willem Kloos (1859-1938), 1894


Lies schreef:
Afbeelding


DE ROEP VAN DE ZEE


De paashaas, kerstman, ooievaar en fee,
ze hebben me als kind steeds vergezeld.
Er werd me zoveel op de mouw gespeld:
in schelpen hoor je 't ruisen van de zee.

Mijn ouders wisten alles, alle twee.
Ze wisten als ik leugens had verteld
omdat dit op mijn voorhoofd stond vermeld.
Hun blanco hoofden deelden mij niets mee

dan dat er in een schelp een zee zou huizen.
Een binnenbranding hoorde ik, zacht suizen.
Werd er - schelp tegen schelp - iets zacht
gefluisterd?

Tenslotte weet ik dat de waarheid nog
veel beter is dan ouderlijk bedrog:
je hoort jezelf, als je naar schelpen luistert.


Patty Scholten (geb. 1946)
uit: "Traliedieren"


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#7  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:19 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Joris van Rode schreef:
Joris van Rode schreef:
(…) een klassieker uit de schooljaren:
(…)
VAN DE ZEE
Aan Frederik van Eeden

De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zichzelf weerspiegeld ziet;
(…)

Willem Kloos (1859-1938), 1894

Een van de vroege gedichten van de jonge Willem Elsschot bracht daarvan een echo:

Afbeelding


DE ZEE
Aan Willem Kloos


Wat en machtig en woelerig deinen
van baar op baar,
bruisend opstaand en bruisend verdwijnend
over elkaar.

De stemklank der menschen die zingen
maakt mij zo wrang;
van verouderde krachtloze dingen
spreekt mij hun zang.

Doe uw geesten mij bouwen een woning
diep in uw schoot,
waar ik zingen zal als barenkoning
tot mijnen dood.

Want geen keel die aan wal uwe zangen
ooit navertelt,
en geen menschenbrein ooit zal omvangen
uw effen geweld.


Willem Elsschot (1882-1960), Antwerpen, 1902


Lies schreef:
Afbeelding


de zee kan troosten als een moederhuid:
het blanke zand dat om de voeten sluit.
het schuim spat hoog op, water trekt weer recht
het spel van duikvlucht, vliegertouwgevecht;
wat golven nemen geven ze als buit,
je ademt er met vissen in en uit
als eb en vloed, als bruidegom en bruid:
de zee kan troosten als een moederhuid;
de zon staat hoog en is aan haar gehecht,
de vogels hebben wolken afgezegd
en jij, je hebt jouw hand op mij gelegd,
terwijl je rustig ademt in en uit:
de zee kan troosten als een moederhuid


Lenze L. Bouwers (geb. 1940)
uit: 'Rondelen'


Joris van Rode schreef:
Bittere humor en een laconieke weergave van de werkelijkheid in Elsschots latere gedichten verbergen een grote sociale bewogenheid:


Afbeelding


DE BAGGERMAN


Vergeef het mij, maar 'k durf u niet genaken,
daar mijn gelaat nog glimt van 't laatst ontbijt,
en gij misschien reeds uren bezig zijt
uw duizendvierde slootje schoon te maken.

Ik groet met diep ontzag uw aardsche banden:
uw krommen rug en moedeloozen baard,
waarlangs de regen naar beneden vaart,
uw dunne beenen en uw groote handen.

De koeien staken af en toe het grazen
om op te zien met sluwe koppigheid
en luid te loeien dat ge een luiaard zijt,
wanneer gij rust om even uit te blazen.

Die stomme beesten zouden u verklikken;
pas op uw tellen dus en schep maar raak.
Vertrouw ook niet de raaf, dien zwarten snaak,
die in uw slijk de wormen op komt pikken.

Het is des Heeren wil of 't zou niet wezen.
En trouwens, man, het slijk moet uit de sloot.
Wees dus maar stil, gij zijt toch spoedig dood:
als gij in 't water kijkt dan kunt gij 't lezen.


Willem Elsschot (1882-1960), Rotterdam, 1908


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Pablo Picasso (1881-1973), Pauvres au
bord de la mer
, 1903


TOT DEN ARME


Den langen dag en heel uw leven
wordt gij gemeden en gekrenkt
als ware in U een stof gemengd
waartegen zonde is voorgeschreven.

Toch is ons aller vleesch en bloed
van ééne soort; en dat de regen
ons aller voetspoor weg zal vegen
dat zien ook zij en weten ’t goed.

Maar éérst het geld en dàn pas denken
of hij dan tòch bestaat, de man
die hen bij de ooren nemen kan
om hen met eigen maat te schenken.

Zoo gaat het liedeken zijn gang.
Wees blij dat men u blijft gedoogen:
ge hebt geen wimpers aan uw oogen
en maakt de rijke kindren bang.

Kom, laat ons de afstand eens verbreken.
't Is om mijzelf, ik heb verdriet,
en 'k durf, daar niemand hoort of ziet,
wat gij zult doen of ik zal spreken.

“Ik ben niet vies van u, o neen,
noch van hetgeen uw kleed doet blinken
en zwart doet zien en muffig stinken.
Wend u niet af en ga niet heen.

Maar grijp mij of wij broeders waren,
aan éénen duivel saam verkocht,
en laat gerust uw ademtocht
mij om het aangezichte waren.”


Willem Elsschot (1882-1960), Rotterdam, 5 januari 1910


Lies schreef:
Afbeelding

LES NEIGES D’ ANTAN


Toen werd het winter en het land werd wijd
en wit. Ik zag de vorst als tijdverdrijf
kopergravures, landschappen met iepen,
vervaardigen. Haastige vogels riepen
dat wind hun op de hielen zat. Er dreef
rood van de kou met nevels voor de boeg
een zon in waterverf bevroren. Ik zweeg.
Iets kreeg de kans in mij te condenseren.
Ik keek niet vreemd op en ik zag
Mozart die niet meer dood was vergenoegd
een lied oprapen dat vers in de sneeuw lag.
Ik merkte: ik kon van gedaante wisselen,
deed ijsvogels na en vliegende vissen,
steeg op in Ierland, Scandinavië,
en duizend jaren kreeg ik van de raven.


Guillaume van der Graft (W. Barnard), 1920-2010
Uit: ‘Mythologisch’


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Ilja Repin (1844-1930), De bultenaar


DE BULT SPREEKT


Hier is de bult, de rammelkast,
de knobbelvent, de leuke gast,
de dwerg die 't hoofd omhoog moet steken
als hij zijn zonen toe wil spreken.

De knotwilg met den gekken stam,
waar boven op een reuzenzwam
genesteld is voor al mijn dagen
en die geen mensch er af kan jagen.

Hij huist daar reeds zoo lang mij heugt,
hij was de duivel mijner jeugd,
die 't al verpest heeft en bedorven
en glorie tot mijn schâ verworven.

Hij heeft mijn trouwdag meegevierd
en alles naar zijn zin bestierd,
mijn rok ontsierd, mijn bruid doen blozen
en gal gespuwd op hare rozen.

Zoo deed en doet hij moord op moord,
al zit hij stil en spreekt geen woord,
en ziet noch hoort, noch maakt gebaren:
hij vreet mij op met huid en haren.

Gij die reeds alles hebt misdaan
wat doembaar is in één bestaan;
gij kerels met uw zwart geweten,
die slapen kunt noch rustig eten

en schichtig door het donker waart:
komt op, geeft hier wat u bezwaart,
ik zal het torsen zonder klagen
als gij zoo lang dat ding wilt dragen.


Willem Elsschot (1882-1960), Rotterdam, 25 februari 1910


Lies schreef:
Willem Elsschot toont lef :yes: én is ook weer iemand waar ik mee rond te tafel zou willen zitten.

Afbeelding

OGGEND

Die nag was'n ontreddering,
teen voordag word ek weer verras;
deur skimgrimasse ingekring.
Die swaar reisdeken van verdriet
lê om my lede vasgevou,
die lug is laag en aardesiek,
met stopverf toegedik en grou.
Vir hierdie parallelle las
te houvasloos en te onfiks,
gewoond aan verte, hoogte, lig,
stoot ek die wakkerwordgewig
dubbel opsy om op te staan
om op my voete in te gaan
in die smal skemerspleet van Niks.


Elisabeth Eybers (1915-2007)


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
Willem Elsschot toont lef :yes: én is ook weer iemand waar ik mee rond te tafel zou willen zitten.
(…)

Willem Elsschot (pseudoniem van Alfons de Ridder) was inderdaad een bijzonder man. Zijn literair oeuvre is niet omvangrijk: 750 bladzijden proza en een beperkt aantal gedichten (waarvan er mij 22 bekend zijn).

Die gedichten zijn “schrijnende commentaren op het dagelijks leven, die zowel sarcastisch en cynisch als ontroerend tegelijkertijd zijn.”


Hier een van zijn latere gedichten:

Afbeelding
Albert Hahn (1877- 1918), On-
der zwart regime
, 1905


BRIEF


Lamme smeerlap, met je baard,
dor van geest maar dicht behaard,
die ons daar stond aan te staren
of wij huursoldaten waren.

'k Weet nog alles, luizig dier,
ook al zit je ver van hier,
teruggetrokken en stokoud
in een blokhuis vol met goud.

Dat je er Stein hebt uitgetrapt
nadat hij je had verklapt
hoe je schatten kon verdienen
met den bouw van zijn machinen.

Hoe je Berends in de stront
hebt gewreven, als een hond,
toen hij 't boekjaar niet kon sluiten
door een fout van zeven duiten.

Hoe die halfwas, smal en bleek,
van zijn gulden in de week
vijftig centen af zag roomen,
want hij was te laat gekomen.

'k Weet het nog, zooals je ziet,
maar ik snap vandaag nog niet
hoe die negen duizend koppen
dat zoo leidzaam bleven kroppen.

Had een flinke delegatie,
na 't verwerpen van je gratie,
je maar even beet gepakt,
even op den vloer gesmakt,

je die baard eens afgeschoren,
met of zonder je twee ooren,
je die broek eens afgedaan
om je voor de kont te slaan.

Maar al is het niet gebeurd,
uitgesteld is niet verbeurd.
Wij staan klaar om ons te wreken
zonder je den nek te breken.

Want komt ooit de roode tijd
door je slaven lang verbeid,
voor nog dat je met je botten
bent gedolven, om te rotten,

dan wordt jij benoemd per se
om de piesbak en de plee
schoon te maken als het hoort
in de Beurs of Delftsche Poort.


Willem Elsschot (1882-1960), Antwerpen, 1934


Lies schreef:
Joris van Rode schreef:
Willem Elsschot (pseudoniem van Alfons de Ridder) was inderdaad een bijzonder man. Zijn literair oeuvre is niet omvangrijk: 750 bladzijden proza en een beperkt aantal gedichten (waarvan er mij 22 bekend zijn).

Die gedichten zijn “schrijnende commentaren op het dagelijks leven, die zowel sarcastisch en cynisch als ontroerend tegelijkertijd zijn.”


Hier een van zijn latere gedichten:


BRIEF


Lamme smeerlap, met je baard,
dor van geest maar dicht behaard,
die ons daar stond aan te staren
of wij huursoldaten waren.

(....)

je die baard eens afgeschoren,
met of zonder je twee ooren,
je die broek eens afgedaan
om je voor de kont te slaan.

(....)

Willem Elsschot (1882-1960), Antwerpen, 1934
Prachtig Joris!!!!

Ik heb hier nog in wat boeken zitten snuffelen, maar over Elsschot is weinig te vinden......vreemd!! Op het internet had ik een interview met hem gevonden, had :rolleyes: .....want ik kan het niet terugvinden, te goed opgeborgen denk ik. Eerst maar even laten rusten, meestal komt het dan in énen weer bovendrijven.


Hier valt op dit moment de eerste sneeuw :love: Onderstaand een gedicht van Catharina Kortebos en wie dit is is voor mij helemaal een raadsel.


Afbeelding


SNEEUWEN


Eindelijk is het begonnen
de zachte woede,
het geduldig ongeduld,
sneeuwen.
De hemel, bijna in zijn slaap gestorven,
viel in een droom.
Hij schrok en tast verbijsterd naar de aarde
met slapende, sneeuwende handen.
Hij werpt een oog naar binnen in de kamer.
Een sneeuwbal licht ontploft
geluidloos in de donkerste hoek.
Onder de tafel ligt het licht
te kwispelstaarten naar mijn ogen.

De angst is schaduwloos gelijk de glimlach.
Alle schaduw in de kamer slijt.
Verbijsterd
glimlach ik in de haren
van het witte hondje,
dat in mijn armen naar het sneeuwen kijkt.


Catharina Kortebos (1916- ? )
uit: "Tussen mij en de dingen"


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
(...)
Prachtig Joris!!!!

Ik heb hier nog in wat boeken zitten snuffelen, maar over Elsschot is weinig te vinden......vreemd!! Op het internet had ik een interview met hem gevonden, had :rolleyes: .....want ik kan het niet terugvinden, te goed opgeborgen denk ik. Eerst maar even laten rusten, meestal komt het dan in énen weer bovendrijven.
(...)

Bedoel je dit interview, Lies?
http://www.cobra.be/cm/cobra/cobra-medi ... k/1.710613

Spijtig dat het geluid even wegvalt. Willem Elsschot leest een van zijn vijf ‘moedergedichten’. Hierna gaat de tekst ervan, uit 1934, zonder illustratie.

De volgende dagen komen de andere (uit 1902, 1904, 1907 en 1908) aan de beurt – de twee laatste ook zonder illustratie.


SPIJT


Dat in gemelijke grillen
ik mijn dagen kon verspillen,
dat ik haar voorbijgegaan
of een steen daar had gestaan.

Dat ik heel mijn zondig leven
heb gekregen zonder geven,
dat mij alles heeft gesmaakt,
dat ik niets heb uitgebraakt,

dat ik niet kan herbeginnen
haar te dienen, haar te minnen,
dat zij heen is en voorbij,
bitter, bitter grieft het mij.

Maar de jaren zijn verstreken
en de kansen zijn verkeken.
Moest die kist weer opengaan
geen stukje vleesch zat er nog aan.

Priesters zalven en beloven,
maar ik kan het niet geloven.
Neen, er is geen wenden aan:
als wij dood zijn is ‘t gedaan.

Ja, gedaan. Wat helpt mij klagen?
Wat mijn roepen, wat mijn vragen?
Wat ik bulder, wat ik zweer?
De echo zendt mij alles weer.

Gij die later wordt geboren,
wilt naar wijze woorden hooren:
pakt die beide handen beet,
dient het wijf dat moeder heet.


Willem Elsschot (1882-1960), Antwerpen, 1934

In het interview heeft Elsschot de laatste strofe weggelaten.


Lies schreef:
Joris van Rode schreef:
Bedoel je dit interview, Lies?
http://www.cobra.be/cm/cobra/cobra-medi ... k/1.710613 (.....)
Geweldig Joris.....bewegende beelden :top2: . Ik heb het interview waar ik op doelde inmiddels weer boven water getoverd, 't is er ééntje op papier......jammer dat hier geen opnames van zijn gemaakt :) :




Afbeelding

HERFST


De mens is ijdel naar het voorbeeld der natuur.
Hij leeft met de geheime hoop zijn uiterst uur
In schoonheid te voltooien: een verheven dood
Maakt de geringen en onterfden vrij en groot.

Het najaar is een bontgevlamde apotheose,
Een wilde zwanenzang: Zo vleien wij de Boze
Die onomkoopbaar is en naar geen lokstem hoort:
Hein met de Zeis heeft pertinent het laatste woord.

Slechts wie kan sterven als de herfst in vol ornaat
En met een lach die tartend naar de hemel slaat
Heeft de aarde op de manier van zon en zee en wind,
Met hartstocht en vooroordeel, luisterrijk bemind.


J. Greshoff (1888-1971)


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
(...) Ik heb het interview waar ik op doelde inmiddels weer boven water getoverd, 't is er ééntje op papier......jammer dat hier geen opnames van zijn gemaakt :) :

(...)

:thx: Prachtig, Lies, prachtig!

Ik heb de tekst afgedrukt en opgeborgen in Elsschots Verzameld werk (Van Kampen, vierde druk, 1960).


Afbeelding


AAN MIJN MOEDER


Moeder, mij heugen de dagen maar nauw
toen ik ’s avonds in slaap mij gebaarde
om te rusten in uw schoot, en ik soezend, toch flauw
voeld’uw adem die steeds mij bedaarde.

Gij droegt mij te slapen, gij dektet mij toe
en deedt mij gebedekens lezen;
‘k hield uw hand in mijn handjes, mijn ogen dicht toe:
dan droomd ‘ik en sliep zonder vreezen.

Voorheen, als w’op oudejaarsavond vergaard,
op moeders gezondheid eens dronken,
heb ik steeds vol ontroering het zwijgen bewaard,
maar ‘k omhelsd’u met ogen die blonken.

En nu, als wij somtijds tezamen weer zijn,
’t is nog alles hetzelfde lijk vroeger:
dan praat ik van liefde, van vreugd en van pijn,
maar ik durf u niet kussen als vroeger.

Uw handen zijn grof en uw oogen wat moe,
ik heb u zo dikwijls doen weenen,
en er nooit aan gedacht in mijn dagelijksch gedoe
dat de dood u eens mede kon nemen.

Wij hebben elkaar in zo lang niet omarmd,
werd ik soms wat te groot of te schrander,
gij te dof en te oud? Is onze liefde verarmd?
Moeder, zijn wij vervreemd aan elkander?


Willem Elsschot (1882-1960), Antwerpen, 1902


Lies schreef:
Ik plaats even geen gedicht, omdat ik vanmorgen in 'Het Uur van de Wolf' ben blijven hangen......'Erfgenaam van Elsschot'. Een bijzonder mooie uitzending!! Heb je deze uitzending gezien Joris?




Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
Ik plaats even geen gedicht, omdat ik vanmorgen in 'Het Uur van de Wolf' ben blijven hangen......'Erfgenaam van Elsschot'. Een bijzonder mooie uitzending!! Heb je deze uitzending gezien Joris?


:thx: Schitterend, Lies! De uitzending heb ik niet gezien en ze is een ware verrassing voor mij.
Ze bevestigt wat ik zei in # 158:
Joris van Rode schreef:
Willem Elsschot (pseudoniem van Alfons de Ridder) was inderdaad een bijzonder man. (...)
Nog eens een dikke merci! :flowers:

Hier een derde (chronologisch het tweede) moedergedicht van Elsschot:


AAN MIJN MOEDER


Ik heb gedroomd, o moeder,
dat gij op sterven laagt,
en voor het al te sluiten
mij lang in d' oogen zaagt.

Gij spraakt van eerlijk blijven,
van recht door 't leven gaan;
hebt toen nog eens geglimlacht,
en alles was gedaan.

'k Wou om vergeving smeken,
waarvoor, ik wist het niet,
en bij u nederknielen;
mijn knieën bogen niet.

Toen wist ik dat 'k u nimmer
nog iets vergelden kon.
Uw stem deed mij ontwaken
in 't klare licht der zon.

Daar blonken groote tranen
van heil en droefenis.
En 'k voelde diep in 't harte
wat eene moeder is.


Willem Elsschot (1882-1960), Antwerpen, 1904


Afbeelding
Adela van Elst, de moeder
van Willem Elsschot.


Lies schreef:
Lijkt Ida de Ridder uiterlijk op haar papa of haar mama? Gezien de foto die ik uit de uitzending heb genomen i.v.g. met bovenstaande foto van Adela van Elst zou ik zeggen de moeder :) .

Afbeelding


Oud zijn

Oud zijn is teren op herinneringen,
wonen in steden die men eens bezocht,
is gaan en keren in al kleiner kringen,
lopen op effen wegen zonder bocht.

Is wars van heimwee naar de einder kijken
waarachter niets gebeurt dat ik niet ken,
de dagen met de dagen vergelijken
de man zijn die ik steeds gebleven ben.

Is wachten op beweging van bezoekers
van wie ik van vooraf de woorden weet
als kwamen die uit eer gelezen boeken.
Geluk is alles wat men niet vergeet.


Anton van Wilderode (1918-1998)


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
Lijkt Ida de Ridder uiterlijk op haar papa of haar mama? Gezien de foto die ik uit de uitzending heb genomen i.v.g. met bovenstaande foto van Adela van Elst zou ik zeggen de moeder :) .

Afbeelding
(...)
Lies schreef:
Moeder moet natuurlijk grootmoeder zijn:oops:.....Van Elst trekjes.

Dat klopt, Lies. Er is enige gelijkenis tussen grootmoeder en kleindochter.

Om na te gaan of er gelijkenis is met een van de ouders kan deze foto dienstig zijn.
Elsschot is erop afgebeeld met zijn vrouw Jeanetta Jozefina Scheurwegen (Fien, Fine).

Afbeelding

Willem Elsschot ontmoette zijn Fine in 1901. Ze geraakte zwanger terwijl ze nog niet getrouwd waren. Hierdoor, en met behulp van zijn broer, begon hij alsnog opnieuw te studeren aan het Hoger Handelsinstituut te Antwerpen. In 1903 behaalde hij daar het diploma van licentiaat in de handels- en consulaire wetenschappen met grote onderscheiding. Toen schreef hij een gedicht voor Fine. Ik onderbreek de reeks moedergedichten en laat het hierna volgen:


AAN FINE


Ik heb u altijd zoveel leed gedaan
Mijn mager lief en u toch zo doen lijden;
Ik heb u steeds de vrome vree doen mijden
Die gij kondt vinden op uw levensbaan.

En ‘k zie u bleek, met moede schreden gaan,
Kalm en beslist u klemmend aan mijn zijde,
Gelovend volgend waar ik u ook leide
En nooit herdenkend wat ik heb misdaan.

Gij zijt een beeld van ’t goede dezer wereld,
Het helder lichtend goddelijk ware
Dat niet kan tanen daar het eeuwig is.

En door uw tranen luisterlijk ompereld
Zie ik u schitterend door ’t leven varen,
In stille trots torsend uw droefenis.


Willem Elsschot (1882-1960), Antwerpen, 1903


Joris van Rode schreef:
MOEDER


Mijn moederken, ik kan het niet verkroppen
dat gij gekromd, verdroogd zijt en versleten,
zooals een pop waarin een hart zou kloppen,
door 't volk bij 't heengaan in een huis vergeten.

Ik zie uw knoken door uw kaken steken
en diep uw oogen in het hoofd gedrongen.
En ik ben gansch ontroerd en kan niet spreken,
wanneer ge zegt ‘kom, zit aan tafel jongen’.

Ik hoor u 's avonds aan de muren vragen
of gij de vensters wel hebt toegesloten.
Gij kunt den mist niet uit uw hersens jagen.
Uw lied is uit, gij kreunt de laatste noten.

Daar in de verte wordt een put gegraven;
ik hoor zo goed het ploffen van de kluiten.
En achter 't huis zie ik een schimme draven:
hij staat waarachtig reeds op haar te fluiten.

– Kom in, Mijnheer, ik stel u voor aan Moeder.
– Vrees niets, kindlief, al heeft hij naakte beenen:
hij is een vriend, een goede vriend, een broeder:
hij is niet ruw, hij wandelt op de teenen;

Tot weerziens dan. Ik kom vannacht of morgen.
Gij kunt gerust een onze-vader lezen,
en zet uw muts wat recht. Hij zal wel zorgen
dat gij geen kou vat en tevree zult wezen.


Willem Elsschot (1882-1960), Parijs, 1907


Lies schreef:
Ik zie weinig gelijkenis met moeder Fine, misschien een beetje de vorm van de neus, maar volgens mij is de mond weer helemaal van papa :) . Hij heeft goed z'n best gedaan :yes:

Afbeelding

OUER WORD


'n Eindigheid sprei langsaam, ongevra,
'n stipter onderskeiding word van krag.
Wat ek verloor het suig my terug in drome,
hul nagtelike helende verwarring;
wat oorbly dwing my voorwaarts, stoot of dra
my onversetliker van dag tot dag
met afgepaste tydverdryf en werk.
Ek hul my heelheidshalwe in 'n huis
van stuksgewyse toeslik tot 'n kluis.

Iets wat 'k onthou: eens was ek 'n beminde
kind, tintelend van hiernamaalse onkunde,
deur louter eindeloosheid ingeperk.


Elisabeth Eybers (1915 - 2007)


Joris van Rode schreef:
MOEDER


Als vader slaapt gelijk een rustig beest,
en in zijn droom herkauwt en zalig lacht,
dan ligt gij wakker, starend in den nacht,
en roept uw zoons en dochters voor den geest.

Zij zijn gevloôn, als gieren voor 't tempeest,
met stukken van het oude nest bevracht,
waarin gij dubbend op hun terugkeer wacht,
maar op de klok het woord des tijds niet leest.

Laat niet uw dagen slinken in verdriet;
geen macht die tanden aan uw mond verstrekt,
of ooit weer zog in uwe borsten wekt.

Er is niets aan te doen, zooals gij ziet.
Drink dus een borrel bij een passend lied,
daar schele Piet reeds met uw tenen trekt.


Willem Elsschot (1882-1960), Rotterdam, november 1908.


Joris van Rode schreef:
Ter afsluiting een wrang en gruwelijk gedicht dat Elsschot schreef het toen hij 28 jaar was. Het pleit niet voor de gedachten waarmee de jonge man toen rondliep maar het betekent wel dat het hier gaat om dichterlijke fantasieën en dat het niet echt gebeurd is. Twee verzen uit het gedicht worden dikwijls gebruikt zonder dat men weet ze uit een gedicht komen (zie rode tekst):


HET HUWELIJK


Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d'oogen van zijn vrouw de vonken uit kwam dooven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeeren,
hij zag de grootsche zonde in duivelsplicht verkeeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helsche mond
het merg uit haar gebeente, dat haar tóch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen en niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wasschen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in eenig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren
,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zoo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man dien zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke’ aanblik bood.


Willem Elsschot (1882-1960), Rotterdam, 7 mei 1910.


Lies schreef:
Afbeelding

GANZEN


Wat bedoelde je toen je zei: diepte
dat is een woord voor wat ik nu voel - diepte

er vloog een kleine groep ganzen over,
een ijskoude glasheldere hemel in december

dat is wat ik bedoel zei je: ganzen
godvergeten hoog, hun dunne geschreeuw
wat is het, dat alleen zijn samen
dat blinde lot

weten van die diepte die we hemel noemen
het is een heel oud gevoel - een soort medelijden
ouder dan ik

ik heb dit mijn leven lang gezien en gehoord
ik heb als kind gedroomd dat ze me mee wilden nemen
ik weet nu dat ik ergens zou worden achtergelaten

we bleven kijken en luisteren.


Rutger Kopland (geb. 1934)


Joris van Rode schreef:
Na Elsschot: plaats voor gezelliger poëzie…


Afbeelding


Sonnet II


Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,—

Zóó zag ik eens, in wonder-zoet genucht,
Uw half-verhulde beelt'nis voor mij staan,—
Dán, met een zachten glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde oogen ónder-gaan.

Ik heb u lief, als droomen in den nacht,
Die, na een eind'loos heil van éénen stond,
Bij de eerste schemering voor immer vlôôn,—

Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht,
Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
Als alles, wat héél ver is en héél schoon.


Willem Kloos (1859-1938)


Simpel schreef:
[rimg]http://weetlogs.scilogs.be/gallery/19/People%202.jpg[/rimg]
Voor de lieve lezer

De woorden der gemakkelijkheid,
woorden van rose sluimer,
kamer behangen met pastelkleurige dromen,
dat is de poëzie die u lust.

Volièrevogeltjes wapperen er in rond
en de meisjes hebben er een zeer zoete hals
en de dichter staat nimmer voor u
dan gekleed in het bleekblauwe avondcostuum
van de maan.

Maar de poëzie die wil zeggen
dat ons aller broeder de mens is
een ellendige broeder,
een koude zuster,
een slaande aarde -
en wellicht ook een verre zon van liefde,
maar deze alleen te bezichtigen middels
een zwart glaasje in het oog geplant,

die poëzie
eet u snel tegen, nietwaar?

En dat slechts een kiezel
de hemel parende met de aarde kan zien,
dat hoort u maar hoort u niet -

en vouwt de op elkaar verliefde handen
en denkt: ach ik, ach ja en amen.

Hans Andreus


Lies schreef:
Afbeelding

BILLET DOUX


Ik wilde een gedicht op een waaier schrijven,
Zoodat je de woorden je kunt toewuiven
En de strophen, wanneer je wilt blijven
Mijmren, weer achtloos dicht kunt schuiven.

Maar liever wilde ik dat ze binnen
In je gewaad geschreven stonden,
Zoodat tegelijk met batist of linnen
Mijn gedachten je streelen konden.

Ik zou deze dwaze wensch niet uiten,
Als mij een krankzinnige was vervuld:
Je eenmaal zelf in mijn armen te sluiten...
Maar ik heb engelengeduld.


J.J. Slauerhoff (1898-1936)


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#8  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:21 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Willem Cornelis Rip (1856-1922), Zomermorgen in Bergschenhoek


Sta op, mijn lief, de zon schijnt door de bomen


Sta op, mijn lief, de zon schijnt door de bomen,
De vogels vliegen al om voedsel uit,
De visser achter 't huis sleept in de schuit
Zijn net, gevuld met vissen, uit de stroom en

De stalknecht legt op 't voorplein reeds de tomen
Zijn paarden aan, - sta op, mijn lief, mijn bruid,
De aarde is voor ons ook nieuw en schoon en luid,
Sta op, mijn lief, nu is geen tijd voor dromen.

Kom mee, mijn enigst dat aan 't veld ontbrak.
De reiger stijgt, de ooievaar op het dak
Vliegt hene en weer, de hele hof doorruist

De wind, gezeefd door stralen; 't water bruist
Bij 't vallen om de bocht en schuimt en blinkt,
Warm wordt de lucht die dauw en droppen drinkt.


Albert Verwey (1865-1937)


Lies schreef:
Afbeelding

WINTERS RONDEEL


Gegroet gij frisse tintelkou
en winterland voor heldere ogen;
de ekster, op het erf gevlogen,
roept: “waar dat pààr?” in ‘t vorstig blauw.

Een strakkke lucht, het rijpte nauw;
wij gaan als kinderen opgetogen
met stampen in de tintelkou,
- het winterland voor heldere ogen.

Gegroet gij ijl vertakte bouw
van peppels langs de dijk gebogen,
en verten fijn van rook bevlogen -
Wie die vandaag niet kijken zou?
gegroet, gij frisse tintelkou!


Ida Gerhardt (1905-1997)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Gebroeders van Limburg, getijdenboek ‘Les très riches heures du duc de Berry’ - Decem-
ber, detail (begin 15e eeuw).


DECEMBER


Gehuld in mantels schrijdt het jaar naar buiten,
Stromp'lend en oud, door 't huisgezin beklaagd,
Zijn ooren schuil achter de mantelkraag,
Waaraan vanzelf reeds vlokken sneeuw ontspruiten.

Hij spreekt: ‘Vóor mij het offer wordt gevraagd
Buiten 't gezin vrijwillig mij te sluiten
Blaas ik wat dunne ijzel op de ruiten,
Niet als een antwoord, maar als wedervraag.’

Vraag, vraag in uw wanhoop eindeloos voort,
O maand, die de last van 'n heel jaar moet dragen,
Vreugde en leed van twaalf maanden tezaam.

Elk streepje tijd schetst gij waar het behoort:
Het zet zich vast als ijzel op het raam
En smelt tot 't Niets van jaren, maanden, dagen.


Simon Vestdijk (1898-1971), uit ‘Gestelsche liederen’, 1949


Lies schreef:
Afbeelding

JE OOGDE


Je oogde als een winternacht,
Het door de maan beschenen grijs
Van takken was je jasje, blauw
En helder welfde zich je bloese
Over borst en been. Je parels
Regen zich, een stralend
Sterrenbeeld, om je hals heen.

O ogen, gloeiend steen
En donkere haren, oortjes
Waaraan parels alleen
Hangen, als sterren zwervend
Losgeraakt uit hun verband
Maar in een nieuw bestemmen
Aangeland, kiezels je tanden
Waardoorheen een lachen trekt
Van het heelal, vriezend,
Besloten en alomvangend.


Elly de Waard (geb.1940)
uit: "Strofen"


Simpel schreef:
Koud

Winter nadert.
Ik voel het aan de lucht
En aan de woorden die ik schrijf.
Alles wordt klaarder: de straat
Is tot aan zijn eind te zien. De woorden
Hebben geen eind.

Ik ben dichter
Bij de waarheid in december
Dan in juli. Ik ben dichter
Bij de gratie van de kalender, lijkt het
Soms wel. Toch, de woorden niet, de steden
Nemen hun eind.

Als er ergens
Zomer en winter, maar een ster
Brandde die een fel wit licht gaf.
Ik zeg een ster, maar het
Mag alles zijn. Als het maar brandt en
Woorden warmte geeft.

Maar ik geloof
Niet, 's winters nog minder, aan
Zo'n ster. In woorden moet ik geloven.
Maar wie kan dat? Ik ben
Een stem, stervend en koud, vol
Winterse woorden.

Remco Campert


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


DER WINTER


Der Sturm heult immer laut in den Kaminen
Und jede Nacht ist blutig-rot und dunkel.
Die Häuser recken sich mit leeren Mienen.

Nun wohnen wir in rings umbauter Enge,
Im kargen Licht und Dunkel unserer Gruben,
Wie Seiler zerrend grauer Stunden Länge.

Die Tage zwängen sich in niedre Stuben,
Wo heisres Feuer krächzt in großen Öfen.
Wir stehen an den ausgefrornen Scheiben
Und starren schräge nach den leeren Höfen.


Georg Heym (1887-1912)


Lies schreef:
Afbeelding


HERINNERING AAN DECEMBER

Grendel de deur en laat de dennen suizen
onder de sterren in de witte wind.
Hoe lang geleden luisterden wij als kind
naar deze duizenden diepe geruisen?

Slechts wie een haard won kent de zekerheid
van koesterend vuur en uitgelezen spijzen;
hij kan de sterren als een sprookje wijzen
doch niet meer als een buit, waar men om schreit.

Hij staat wel eenmaal in die lange dagen
tegen het raam wanneer een rasse vlucht
van vogelen zijn heimwee verder dragen
dan deze nevelen en dan deze lucht –

maar voelt zich in een zetel neergedwongen
en streelt de hond die omsluipt bij het vuur;
hij grijpt een boek, maar wordt altijd besprongen
van oude dromen tot het nachtelijk uur.

Somtijds is het gedaan: de sneeuw valt teder
en schaatsen klinken aan het zwarte ijs.
Misschien denkt hij zich welgedaan en wijs
al keert de vroegere vreugde nimmer weder

Hij slaapt te fijn des nachts. – Wie de geruisen
die hij als kind bemind heeft niet vergeet
ontsluit de deur en gaat: ik weet, ik weet
hoe wonderbaar de zachte dennen suizen…


Anton van Wilderode (1918-1998)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


WINTER OP HET LAND


Reeds vuurt in mat en mistig inkarnaat
de lage zon te weinig en te zelden;
duisternis komt en het vroegste uur is laat
voor wie al de uren van den zomer telde.

Alleen prijkt nog op witberijmde velden
het rapenloof, het laatste groen sieraad
des najaars. Hoor, de zwarte raven melden
den langen winter die nu komen gaat

Giet olie in de lamp, ontsteek den haard,
sluit al de deuren en de vensters dicht,
staar door het raam naar den ontblaarden gaard,

kijk naar uw vrouw, zie haar bemind gezicht,
zo leert gij hoe goed en beminnenswaard
een dag kan zijn ook zonder kleur en licht.


Jan van Nijlen (1884-1965), Naar ’t Geluk, 1911


Lies schreef:
Later wel weer een wintergedicht, maar eerst even mijn hart luchten. Twee dag en nacht huilende en trillende Spanielen in een hokje, en een dartelend loops Cocker-teefje in huis gaan me niet in de koude kleren zitten.Afbeelding.

Afbeelding

DE KATER


Iedere avond om tien uur
verscheen, gekweld door minnevuur,
een kater op een hoge muur.

Daar zette hij zijn stemgeluid
tot maximaal volume uit
als blijk van hulde voor zijn bruid.

Ofschoon zich nooit in het verschiet
een tegenstem vernemen liet,
hij staakte zijn aanbidding niet.

Want hij besefte: enkel zo,
zonder stem der ratio,
houdt men zijn liefde op niveau.


Maurits Mok (1907-1989)


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
Later wel weer een wintergedicht, maar eerst even mijn hart luchten. Twee dag en nacht huilende en trillende Spanielen in een hokje, en een dartelend loops Cocker-teefje in huis gaan me niet in de koude kleren zitten.Afbeelding.
(…)
DE KATER
(…)
Maurits Mok (1907-1989)

Afbeelding Een leutig gedicht, Lies. Ik heb het afgedrukt en opgeborgen in E.T.A. Hoffmann (1776-1822), Leven en opvattingen van Kater Murr, Atlas, Amsterdam, 2010. Dit werk inspireerde bij het zoeken naar een illustratie bij het volgende gedicht. :wink:

Afbeelding


UITKIJK


Soms zit ik op den uitkijk in een boom
boven de vlakte en zie de mensen lopen.
Zij ijlen, gelijk schimmen in een droom;
zij scheiden om weer samen te gaan hopen

Zij draven, draaien, dretsen links en rechts,
te voet, per huifkar, rijwiel of in treinen.
Pioenen op het schaakbord eens gevechts?
Of niets dan ijdel spel van dwarse lijnen?

En hoe ik dit krioelen en dit kolken
van op mijn uitkijk wijselijk bespied,
of 't wellicht een gedachte wil vertolken:
Ik dub mij scheel. En gij? Ontwert gij iet?


Richard Minne (1891-1965)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


HERFSTELEGIE


In de verzonken dronken tuin
waar wat vergaat stil kleurloos wordt in bloemenpuin
vol scherpe schemeringen
gaat nog een laatste blauwe vogel zingen
om wat verre zon.

De wandelaar langs het lage getijde
voelt den neergang van een kracht nog ongebeurd
door het volbronslandschap dat zich zacht ontkleurt
en van de dingen toont de nachtelijke zijde.

O wentel weg de vale wade
rond die bleke hoop
dat weer de springbron breke uit dode daden
en naar vervulling neemt haar loop.

Tijd van uitbloei en van treurenisse
die uitwijkt en zwindt langs de regenboogbrug
geef het tere vizioen aan mijn ogen terug
de klare lichtbloem in een rei van klarissen
die openkelkt ongerept en schoon en dwaas
uit de diepten van onwezenlijk waas.

Nu over de landouw de wervelwind is gestreken
slingert ons leven dode tak reeds en nog te sterk om te breken.


Victor J. Brunclair (1899-1944), Sluiereffekten, 1936


Lies schreef:
In bericht #185 past alles mooi bij elkaar Joris :yes: ......en hier zijn de reuen nog steeds onrustig, maar misschien wordt het morgen beter.... :turn:

Afbeelding

WINTER


De onrust die je deze najaarsmaanden
van alles wat je bent heeft afgeleid,
verdwijnt; het jaargetijde is aanstaande
dat aan je ware wezen is gewijd.

De nevel heeft rondom het huis bekropen,
de kamer krimpt tot rond de kaarsevlam,
en weer sla je dezelfde boeken open
die je ook vorig jaar in handen nam.

Je leest. Slechts hierin bleef je heel je leven,
wat er ook is geweest, jezelf getrouw.
De dingen zijn zoals ze staan geschreven,
en wat je kwijt was wordt opnieuw van jou.


Jean Pierre Rawie, geb. 1951


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


IN DE VROEGE VRIESLUCHT


Vanuit 't oosten schiet de vrieslucht met scherp.
De dag klinkt hard onder de zolen van mijn wandelen.

Dun bevroren plasjes begeven het
met 't geluid van gebroken glas.

Rijen populieren escorteren hun dreven in een
eindeloze winterse verlorenheid.

Alle schijn is afgeworpen tot op 't laatste blad.
't Dak van mijn huis lijkt opgebouwd
uit peperkoek met witte suiker:
maar de koffie geurt er warm
en de boter laat zich smeren.


Adolf de Candt


Lies schreef:
Dit is niet de boomgaard van Felix De Boeck, en ook niet van Pieter G. Buckinx, beide heren, én ook Adolf de Candt, bezorgen mij nog wat google-werk :) .


Afbeelding

BOOMGAARD IN DE SNEEUW
voor Felix De Boeck


De dunne takken van december
bevriezen onder de vlinderbloesems
van de winter.

Voorbij de boomgaard op de heuvelflank
slaapt vederlicht de hoeve
binnen de schelp van de stilte.

Als oud zilver weeft de nevelsluier
van de melkweg
op het vlechtwerk van de dronken ruimte
de voorvaderlijke vrede:
winterlijke roerloosheid.

Maar als straks het voorjaar wakker wordt
in de zwarte aders van de druivelaar,
breken plots de vonken en de vlammen
uit de vingertoppen
van de koninklijke tovenaar
in de dorstige ruimte.


Pieter G. Buckinx (1903-1987)
uit: 'Blijdschap is een boom.


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
Dit is niet de boomgaard van Felix De Boeck, en ook niet van Pieter G. Buckinx, beide heren, én ook Adolf de Candt, bezorgen mij nog wat google-werk :) .
(...)
BOOMGAARD IN DE SNEEUW
voor Felix De Boeck
(…)
Voorbij de boomgaard op de heuvelflank
slaapt vederlicht de hoeve
binnen de schelp van de stilte.
(…)

Afbeelding
De boomgaard waarover Pieter G. Buckinx het heeft maakte deel uit van deze hoeve te Drogenbos (Vlaams-Brabant, ten zuiden van Brussel) waar de schilder Felix de Boeck ( http://www.felixart.org/nl/?n=152 ) werd geboren en ook zijn lange leven doorbracht. Die boomgaard is nu een beeldentuin. Naast de boerderij is in de jaren negentig een modern museum gebouwd.


't Oud huis


De bel rinkelde, de deuren piepten en de trap kraakte
in 't requiem met koorzang van bekende geluiden.

Zo gauw impromptu dook het daar op in de blokkendoos
van mijn geheugen: het huis van toen met alles
en allen erom en erin.

De grote blauwstenen tegels van de gang achtervolgden
me vrolijk klakkend tot in de keuken met haar
gezellige buizestoof.

De salonsuite met piano en open haard.
Mijn hart klopte aan, doch allen zijn op reis.


Adolf de Candt


Van De Candt is mij alleen bekend dat hij in Maldegem (Meetjesland, in het noordwesten van Oost-Vlaanderen) woont/woonde. Hij zou juwelier zijn (geweest) en was in 1995 ongeveer zeventig jaar oud.


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


The Evening Darkens Over


The evening darkens over
After a day so bright,
The windcapt waves discover
That wild will be the night.
There's sound of distant thunder.

The latest sea-birds hover
Along the cliff's sheer height;
As in the memory wander
Last flutterings of delight,
White wings lost on the white.

There's not a ship in sight;
And as the sun goes under,
Thick clouds conspire to cover
The moon that should rise yonder.
Thou art alone, fond lover.


Robert Bridges (1844-1930)


Lies schreef:
Afbeelding

KASTEELGRACHT


Het eeuwenoude water in de grachten
onopgeklaard ligt boordevol legenden
en geesten van vergeten voorgeslachten.

Maar somtijds willen zij omhoog en zenden
in ongedurige decembernachten
luchtbellen opwaarts uit het onbekende

en doen de torenspiegelingen zachtjes
beweeglijk worden, heen en weder wenden
alsof zij op een mededeling wachten

die later komt, of nooit. De kikkerbende
zit aan de overkant te schaterlachen.


Anton van Wilderode (1918-1998)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


De dag gaat open als een gouden roos


De dag gaat open als een gouden roos;
ik sta aan 't raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil, en nauwlijks één geluid
breekt naar het koepelblauw bij tussenpoos.

En in mijn kamer, als een donkre doos,
waarvoor de parels hangen aan de ruit,
ga 'k heen en weer, tot waar mijn wandling stuit
en ik bij donkren wand stil peinzend poos.

Ik heb 't gevonden, het mensengeluk,
als moest ik worden vier en dertig jaar
eer ik het vond, en ging veel trachten stuk
in spannend worstlen en ijdel gebaar.
Maar zo zeker als daarbuiten de zon de
wereld befloerst, heb ik 't geluk gevonden.


Herman Gorter (1864-1927)


Lies schreef:
Afbeelding

WINTER


Winter. Je ziet weer de bomen
door het bos, en dit licht
is geen licht maar inzicht:
er is niets nieuws
zonder de zon.

En toch is ook de nacht niet
uitzichtloos, zolang er sneeuw ligt
is het nooit volledig duister, nee,
er is de klaarte van een soort geloof
dat het nooit helemaal donker wordt.
Zolang er sneeuw is, is er hoop.


Herman de Coninck (1944-1997)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


AAN ZEE


Blauw daalt de nacht over de zee,
Ik rust in het nog warme zand.
De last van een heimwee naar een ander land
Bracht ik hier op mijn schouders mee.

Dat geruis, dat langoureuze geruis
Dat eenmaal Odusseus bekoorde,
Ik wou liever dat ik het niet hoorde,
Het hoort zo weinig in mijn leven thuis.

Waar kan men eigenlijk beter thuis zijn
Dan in het land waar men vandaan komt?
Misschien zal ik eerst werkelijk thuis zijn
Als de dood, onverwacht, op mij aankomt.


Jan van Nijlen (1884-1965)


Lies schreef:
Afbeelding

AVOND AAN ZEE

Voor mijn vader

Het strand was vast-gevoegd en glad
en smalle golven sloegen om,
uit duizend smalle, witte monden
zacht prevelend en dan weer stom.
De zee keek op, alsof zij bad.
Toen heb ik u teruggevonden.

O grote, oude, grijze zee
in rusteloosheid zoveel rust,
één stem uit duizend kleine kelen
sprekende tot de smalle kust;
eenheid uit zoveel tegendelen.
Mijn oude liefde, mijn oud vertrouwen
zo groot, haast niet om uit te houen,
ouder dan voor mijn grote lief...
Ik zag voor 't eerst weer naar de hemel:
hoe die zich rustende verhief.


M. Vasalis ( 1909-1998)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


SCHOMMELPAARD


Mijn dromen heb ik neergelegd
vlak naast mijn schommelpaard.
Op zolder waar de rest ook staat,
wat tot geen zier meer dient.

Al wankel ik vaak nog wat rond,
tussen wat toen en hier
en tracht ik soms de avond rond
een heel oud lied te zijn.

De weemoed naar dat ver gebied,
het graag zien dat ik ween,
ligt op de zolder niets te zijn.
Mijn dromen daar omheen.


Pierre van Laeken (°1938)


Lies schreef:
Afbeelding

VANDAAG BEN IK TERUGGEKEERD BIJ HET WATER


Vandaag ben ik teruggekeerd bij het water
Waar ik gelegen heb tussen het riet
Waarvan ik fluiten sneed bij het gesnater
Van eenden pratend in de vliet.

Hoe menigmaal zong bij 't geklater
Mijn instrument zijn schrille lied!
En zomer was het toen het later
Met droeve pas de stroom verliet.

En nu de lente mijn moede schreden
Opnieuw naar de beek van vroeger leidt,
Vind ik het riet van de oevers gesneden,

En een krans van narcissen omspreidt
Het ruisende water, en buigt naar beneden
Haar wiegende kopjes en schreit...


Hans Lodeizen (1924-1950)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


EERSTE WINTERDAG


Na al die sonskyn is dit donker;
vaal dryf die wolke in die lug:
vaal die yl motreën wat heeldag stuiwe;
laag-dwarrelend die blarevlug –
Stil sleep die ure en stuif die motreën buite;
die druppels tril droewig teen die ruite;
drup-drup eentonig op gewel en dak
en hang swaar-blink aan die kale amandeltak.


William Ewart Gladstone Louw (1913-1980), uit Die ryke Dwaas, 1934


Lies schreef:
Afbeelding

NAAR DE WINTER

De waterkant wordt ruig verweerd,
het rietland goud en roest van dracht;
vandaag heb ik mijn boot gemeerd
bij 't huis dat naar de winter wacht.

Van zwerfse tochten teruggekeerd
draag ik in mij nog al de pracht
der dagen, die thans ongedeerd
over de drempel wordt gebracht.

Laat hier de winter en zijn macht
mij vinden, op het werk gekeerd,
in stilte, overrijk bevracht, -
het nuteloze afgeweerd.


Ida Gerhardt (1905-1997)


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#9  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:23 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Geo Poggenbeek (1853-1903), Duinen bij Noordwijk aan Zee
met huiswaarts kerende vissersvrouwen



HET KLEINE DORP


Laat ik u schrijven, vriend, hoe zalig stil
Het dorpje is waar ik nu woon, gevlucht
Voor schrille stad en havenend gerucht,
Helend mijn ziel en mijn verwoeste wil.

't Heeft weinig huizen rond een oude toren,
Om ieder huis een mildbloeiende heg,
Geen luide straat, maar smalle zachte weg
Van zand waarin geen stappen zijn te horen.

De school is kleiner dan ons steedse huis,
Van alle kindren ken ik stem en ogen,
In alle woningen voel ik mij thuis.

En van het duin gezien, het zonnige-hoge,
Ligt het klein dorp zo zonnekleurig dat
Ik met één blik van liefde het omvat.


Jacob Israël de Haan (1881-1924)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


TAALGEBIED - S


Hij zit wat te krassen in de taal,
peutert bedachtzaam een woord los,
laat verstrooid een komma vallen,
raakt verdwaald in een regel wit.

Hij knijpt de letters samen tot een prop,
tot een versregel die geschiedenis maakt,
waarmee hij greep krijgt op het systeem:
een bloemenperk van metaforen.

Hij opent een knarsende parenthese,
dan volgt de chemische reactie, het borrelen:
een menigte woorden, tegen elkaar opbotsend,
gevangen in een gesloten lettergreep.


Willem Roggeman (°1935), Taalgebied, De Contrabas, 2009


Lies schreef:
Afbeelding

DE OESTER


Haast dier en haast nog plant ben ik de oester.
Naar mij reikt niet de kleinste kinderhand.
Maar niemand weet wat ik van binnen koester
en wat zich slapend door mijn donker plant.

Van golf tot golf gevonden en verloren,
en aangespoeld, en weer verspeeld door 't strand. -
Maar in mijn schelpen wordt de zee herboren
en d'ene korrel goud van al het zand.

Want al besta ik buiten elk verband,
ademend zonder dat ik mij verroer,
ik ben ontstoken in een teder pralen,
straks breekt het zich uit overstelpte schalen.
O, eindelijke morgen, open hand,
waarin ik dan zal liggen, parelmoer.


Harriët Laurey (1924-2004)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Johann Matthias Ranfl, ‘Jäger und Mädchen’, 1847


Jägers Nachtlied


Im Felde schleich ich, still und wild,
Gespannt mein Feuerrohr,
Da schwebt so licht dein liebes Bild,
Dein süßes Bild mir vor.

Du wandelst jetzt wohl still und mild
Durch Feld und liebes Tal,
Und ach, mein schnell verrauschend Bild,
Stellt sich dir's nicht einmal?

Des Menschen, der die Welt durchstreift
Voll Unmut und Verdruß,
Nach Osten und nach Westen schweift,
Weil er dich lassen muß.

Mir ist es, denk' ich nur an dich,
Als in den Mond zu sehn;
Ein stiller Friede kommt auf mich,
Weiß nicht wie mir geschehn.


Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), 1775/76


Lies schreef:
pffffff.....moeilijk kiezen tussen de verschillende vertalingen :)

Afbeelding

Sonnet 27


Ik haast mij, moegereisd, naar bed alwaar 't
Goed toeven is voor 't lijf dat zo moest lijden,
Maar dan wordt in mijn hoofd een reis aanvaard
Waarop, na 't lijf, mijn geest zich moe zal strijden.
Mijn denken wil mij weer de weg opsturen
Om als een vurig pelgrim jou te vinden,
Mijn oog is zwaar, maar blijft wijdopen turen
In 't duister dat de wereld is der blinden.
Mijn ziel laat, met haar geestesoog, jouw beeld
Van schaduw zien aan mijn nietsziend gezicht,
't Hangt in de bange nacht als een juweel,
Waardoor zijn donker mooi wordt, jong en licht.
Zo vinden 's nachts mijn geest, bij dag mijn leden,
Om jouw- en mijnentwil geen rust of vrede.


William Shakespaere (1564-1616)

vertaling Peter Verstegen


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


't Het nog nooit zo donker west


Ze woonden soamen in n hoeske,
zai was wat stief van reumetiek,
toch konden ze zok hail nuver redden,
in t lutje hoeske achter diek.

De kinder waren al laank de deur oet,
toch kwamen ze voak nog op t ol stee,
en mainsttieds hadden ze t over vrouger,
din wizzen z'apmoal wat e zee:

t Het nog nooit, nog nooit zo donker west,
of t wer altied wel weer licht...

Zes hounder en n olde sege,
n swien op t hok en n kaampke laand,
en twijmoal doags even over t loantje,
en din huil opoe hom bie d'haand.

Zien haile leven haar e aarbaid,
en moeke mit acht kinder thoes,
bie zummerdag hail vroug aan t maaien,
en pas om melkenstied bie hoes.

t Het nog nooit, nog nooit zo donker west,
of t wer altied wel weer licht...

Toun op n zundag in december,
krigt opa t zomor zo benaauwd,
zien dochter brengt hom din noar stad tou,
omdat ze t aiglieks nait vertraauwt.

En aanderdoags is e overleden,
't het mie veur t olske zo begroot,
meschain was t beter andersom west,
want drij week loater was ze dood.

t Het nog nooit, nog nooit zo donker west,
of t wer altied wel weer licht...

t Het nog nooit, nog nooit zo donker west,
of t wer altied wel weer licht...

De dood dat heb je nait veur t zeggen,
want baaide wollen ze geern geliek,
ze rusten zacht doar op t kerkhof,
vlak bie t hoeske achter diek.

t Het nog nooit, nog nooit zo donker west,
of t wer altied wel weer licht...

t Het nog nooit, nog nooit zo donker west,
of t wer altied wel weer licht...


Ede Staal (1941-1986)

[filmpje]http://www.youtube.com/watch?v=Hq5a6roXgig[/filmpje]


Lies schreef:
:yes: Ede Staal was bindend....... met zijn muziek, als persoon en als leraar, een bijzondere man!!!


Afbeelding

Muziek is alles wat geen naam meer heeft
En wordt uit nacht en duizeling geboren;
In klanken schijnt de onlesbaarheid bezworen
Der diepste dorst en 't sterven overleefd.

Muziek is ademen dat nooit begeeft,
Maar de eigen hartslag is niet meer te horen,
Als zuchten opgaan in vervoerde koren
En in den sterrenzang de ruimte beeft.

Ik ben door lanen van muziek gegaan
En heb op stromen van geluid gevaren;
Het blind geluk, door woorden niet te evenaren,
Heb ik in 't ruisen van een stem verstaan.
Muziek ontvangt den mens met lichtende armen,
Muziek is een onmetelijk erbarmen.


H.W.J.M. Keuls (1883-1968)


Joris van Rode schreef:
Al gedurende twee weken plaatsen alleen jij en ik nog gedichten, Lies. En afgaand op de getallen in de kolom ‘Bekeken’ is er slechts minimale belangstelling voor het poëzieplein. :(( Ik overweeg ermee op te houden op 31 december. Graag je mening.


Afbeelding


PATMOS


Heel onverwacht krijgt helend
licht mij in zijn greep.
Roos de ochtendtinteling, de middag
blauwselt zee en huizen,
de avond vlamt met paars.
Ik vond het ezelspad naar Chora,
rots en monasterium, de holte waar
Sint-Jan in ballingschap de stemmen
hoorde.
– Schrijf wat je ziet en stuur dit naar
Efese, Smyrna, Pergamon...
Mijn innerlijk oog herkent.
Wie ziet hoeft geen verklaring.
Hoe rijk ook de iconen, franje worden ze,
hier openbaren kale rotsen meer dan
duizend byzantijnse kruisen.
Al schijnen de flitslampen van de toeristen
feller dan de gouden kandelaar van de engel,
ik blijf grenzenoverschrijdend in het
duister van de grot,
verzoend met alles
incluis mijn rebellerend lot.


Frans Fransaer (1934-2010), Kon ik maar boezoeki spelen, 1998


Lies schreef:
Joris van Rode schreef:
Al gedurende twee weken plaatsen alleen jij en ik nog gedichten, Lies. En afgaand op de getallen in de kolom ‘Bekeken’ is er slechts minimale belangstelling voor het poëzieplein. :(( Ik overweeg ermee op te houden op 31 december. Graag je mening.[....]
Ben het met je eens Joris :((. Ik let eigenlijk nooit op het aantal keren bekeken, maar meer op wat een ander beweegt. En dat is op het poëzieplein momenteel buiten ons niet meer te vinden, beweging is er wel op politiek niveau, maar dat is weer niet op rijm :wink: . Hetzelfde speelt zich af in de ‘Moppenhoek’ van Wees Wijzer, ook bijna een solo-optreden. Ik begrijp daarom je overweging om er 31 december mee op te houden, ’t is een perfecte datum om een punt achter onze bijdragen te zetten. Ik blijf tot die datum genieten :) , en zal dat in de herinnering ook altijd blijven doen.

Ken je deze Joris.....als aanvulling op je verzameling?

Afbeelding

DE KAT


Zij is zeer glad wanneer de rug zich strekt,
de haren donzig achterover hellen
en 't lenig lijf elastisch kromt of rekt,
terwijl de pupillen in het donker zwellen.

Spookachtig licht brandt in die groene wellen
en raspig is de tong waarmee zij lekt
over de zachte huid, de buik met de mamellen,
gekromde klauwen en geklauwde bek.

Sluipende passen 's avonds door het donker
over het erf, de schuur of langs de trap.
De snelle oogen schieten groene vonken,

wanneer zij sporen ruikt van rat of muis.
Dan ligt het trillend lijf, schijnbaar ontveerd en slap,
maar vijlt de nagels tot een marteltuig.


Pierre H. Dubois (1917-1999)


Joris van Rode schreef:
:troost: Ja, Lies en andere poëzieminnaars, het was prettig vertoeven op dit plein – en ook op het draadje van de schoonheid & de troost, vroeger bij Stand.nl.

Ic seg adieu, nu al, want scheiden doet lijden en dat moet geen tien dagen duren:

[filmpje]http://www.youtube.com/watch?v=RHeejbPHFQs[/filmpje]

Misschien tot op een nyeu. In ‘De Bibliotheek’ bij Opinari bestaat er in de afdeling ‘Literatuur en poëzie’ een draadje ‘Het poëzieschuiloord: voor als de wereld te hard gaat’, begonnen in 2003. Er zit al een paar maand geen leven meer in, maar ik ga daar in januari toch enkele gedichten plaatsen. Baat het niet, dan schaadt het niet.

Voor december zijn er nog elf gedichten. Ze zullen worden gebracht zonder commentaar, elke dag een. :crydag:


Afbeelding


DE EENHOORN HUILT


De eenhoorn huilt om zoveel
eenzaamheid, midden in het bos,
verdwaald tussen onbegrip en
bijgeloof, lijdt hij zichtbaar aan
de vreemde ziekte van de mensen.

Het land dat er verkaveld bijligt,
is zijn vroegere vette naam vergeten
en droomt hoorbaar van hereniging,
van herinnering aan vroeger dagen
toen liefde en wijsbegeerte nog

als hetzelfde werden beschouwd
en de eenhoorn zijn gouden hoorn
met een gul gebaar over ons leeggoot
tot wij misselijk werden van zijn overvloed
en honger en miserie met eerbied vernoemden.


Willem Roggeman (°1935), Het nut van de poëzie, Uitgeverij P, 2003


Lies schreef:
Afbeelding

DE KAT


Gestreept klein standbeeld,
in zichzelf besloten,
vier poten in de cirkel van zijn staart.
Niets steekt er buiten haast,
alleen zijn kop is
DUBBELGEPUNTMUTST,
zoals die van Jagtlust,
het zag en beschreef.

Wat sloom, ja vadsig lijkend
springt hij toch
moeiteloos vloeiend
de keukenkruk op
- drie keer zijn lengte hoog -
die uitzicht biedt op tuin en vogels.

Hooghartig delicaat,
tot in het likken van d' eigen,
het ruiken aan andermans aars,
staat hij ons stinkers toe
zijn residentie te bewonen
mits wij hem af en toe maar tonen
dat we beseffen hoe god Ra
-die van de zon-
alleen door hem, en steeds opnieuw,
Apep, de slang der duisternis,
verslinden kon.

('die van Jagtlust' = F. ten Harmsen van der Beek)


J. Eijkelboom (1926-2008)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


DE ZACHTE DINGEN


De zachte dingen blijven toch bestaan
hoe hard en ruig de wereld wordt daarbuiten:
ik zie de sterren blinken op de ruiten
ik hoor de voeten van de herders gaan

ik zie de lichtgrot van de nieuwe maan
ik hoor de engelen van vrede zingen
ik zie de wijzen en hun volgelingen
ik hoor de wind zijn vleugels openslaan

ik zie de den die wij vol blijdschap haalden
zo glanzend groen in onze kamer staan
ik hoor Maria's moederlijk vermaan
als korrels sneeuw neerruisen uit zijn naalden.


Anton van Wilderode (1918-1998), uit ‘De dag sneeuwt dicht’, 1998


Lies schreef:
Afbeelding

HUISKAT


Die kat strek hoog op vier strak bene, buig
behaaglik om haar luiperdlies te lek,
rol om en lê fluwelig oopgevlek
dat keel en bors en buik die son kan suig.

Ons noem haar 'kat' want sy is sonder siel
en anoniem. Smal skerwe van agaat
staar koud uit die driehoekige gelaat.
Arglistig, vloeibaar, soos'n blink reptiel

van los en lenig wees versadig: sy
sal nooit - die veearts het haar 'reggemaak'-
ekstase en angs van lewe voortbring smaak,
sal, steeds eenselwig, alle teerheid stuit.
Ek hol my hand behoedsaam, smalend sluit
sy haar oë, kronkel by mij greep verby.


Elisabeth Eybers (1915-2007)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


DE KERSTBOOM


De kaarsen branden tussen mandarijnen,
Sneeuwsterren, speelgoed en gekleurde noten.
De kind'ren zingen en de dauw der grote
Ogen beweegt en blinkt in't trillend schijnen.

Hoor hoe ze zingen: ,,Nu zijt wellekome'' –
'k Voel moeders hand weer die de mijne houdt,
En huiver bij de geur van 't schroeiend hout
Als toen ik zong: ,,Gij zijt van ver gekomen.''

En daar staat weer de stal van Bethlehem,
Sneeuw op het dak en licht door rode ramen! –
– Moeder, wij waren veel te lang niet samen,
– Ik heb het lied vergeten van uw stem.

Zij strijkt weer door mijn haar en zegt: ,,Ach jongen,
,,Ieder jaar dat je er niet bent bij geweest,
,,Meende ik je stem te horen, hier op 't feest,
,,Vlak naast me en wenend als de kind'ren zongen.''


Martinus Nijhoff (1894-1953)


Lies schreef:
Afbeelding


UTOPIA


Verloren lopen in een melkwit land
met nauwelijks merkbaar menselijke sporen
een hemel zonder stemmen toebehoren,
van sneeuw in sneeuw gaan naar een niemandsland,

de rinkelbellen van de winterslee
die wij alleen in sprookjes konden horen
ineens luidruchtig tegen koude oren
en op de luimen van de meewind mee,

vergeten wie men was en wat men deed
of hevig wilde al de tijd tevoren,
in een opwindend ogenblik herboren
hoogzwevend voor utopia gereed.


Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: 'Daar is maar één land dat mijn land kan zijn'


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


HET KINDJE


Het kindje lag gewikkeld in de doeken
Op moeders schoot; het was een armlijk kot:
De koe en ezel stonden achter 't schot.
'Wat die drie koningen in 't huisje zoeken?'
Jozef was graag gevlucht in donkre hoeken.
Hij hield zich stil terzij: hij zat voor zot.
Maar noch gevolg noch vorsten toonden spot:
Geschenken biedend knielden zij, die kloeken.
Rondom de stal was van de rossen 't neien,
Uit de open hemel zongen englenreien,
't Kindje zat stil en zag en hoorde 't aan.
Maria lachte en vond het heel natuurlijk.
Jozef besloot: het spel was puur figuurlijk.
Slechts koe en ezel hadden 't feest verstaan.


Albert Verwey (1865-1936)


Lies schreef:
Afbeelding

KERSTFEEST


Kinderen spelen de werkelijkheid:
Jozef met zaagsel aan z'n overal,
Maria in een jurk bloemrijk en wijd
wachten op kraamvisite in de stal.

Daar wordt geklopt en omdat er geen hal
is, staan ze met stok en knots voor de strijd,
de baard uit de plooi en een huid met dal
en heuvels door zon en kou en de tijd.

De mammapop huilt. Maskers proberen
te lachen maar de expressie zit vast,
alleen het och en het ach is te horen.

Volwassenen spitsen de luie oren.
En herders knielen met een stramme bast
om het lam van hun kudde te eren.


Lenze L. Bouwers (geb.1940)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Rembrandt, Aanbidding van de herders, 1646, Alte Pinakothek, München


DE HERDERS


Omdat eenvoudigen verstaan
Wat door geen ingewikkeld zoeken
Noch lezen in geleerde boeken
Begrepen wordt of nagegaan,

Zijn herders toen in Uwen stal
Geknield en hebben U aanbeden:
Dit is tweeduizend jaar geleden
En nog weet elk het overal.

Geen mensch heeft ooit hun naam gemeld,
De rest van hun onschuldig leven
Is door geen wetenschap beschreven,
Wordt slechts aan kinderen verteld.


Anton van Duinkerken (1903-1968)


Lies schreef:
Afbeelding
Peter Paul Rubens: De aanbidding van de wijzen


BETHLEHEM


We stonden nietsvermoedend in de stal,
toen kwam dat jongehuwde stel er aan
en was er prompt een zuigeling geboren.

Er werd kortom, van alles aan gedaan
om onze nachtrust grondig te verstoren.
Het kraambezoek gedroeg zich niet beschaafd.

Er waren herders met hun toebehoren.
Uitheemse types kwamen opgedraafd
en engelen… het leek wel carnaval.

Wij dieren zijn toch altijd weer de klos
Wie komt er ons bevrijden?

Ezel
Os


Drs. P (H.H. Polzer) geb. 1919
uit: 'Dozijnen Onzijnen'


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


KERSTMISVIERING


In 't klein café zitten nu tien personen,
'k Heb ze een voor een zorgvuldig nageteld:
twee kruideniers, één visboer en zes zonen
van brave burgerlui met zeer veel geld.

Ze spelen kaart of dobbelen en praten,
ze zijn luidruchtig, stevig en gezond.
Moeder Fortuin zal nooit hun dak verlaten,
ze hebben huizen, aandelen en grond.

Ze zijn zo blij dat Christus is geboren,
en blijder nog, dat zij geboren zijn.
`Minuit Chrétiens' de stralende englenkoren
zingen den lof van 't leven en den wijn.

Ze zijn ten slotte niet onsympathiek
die dwaze stumpers door hun tijd verblind.
– Wordt een van hen vandaag of morgen ziek,
dan schreit hij om zijn moeder als een kind.


Jan van Nijlen (1884-1965)


Lies schreef:
Afbeelding

STILTE


De stilte waakt. Zij is voorafgegaan
en gaat vooruit. Zij draagt en kan omgeven.
Zij is bedacht op wat, bijeen gebleven,
geen woord behoeft om luisterend te verstaan.

Wat zij bewaart kan ongehoord herleven,
geruisloos stromen, zwijgend opengaan.
Geen tussenpoos ziet zij voor stilte aan,
en hoeveel stilte heeft zij niet geweven!

Wie met haar breekt, spreekt om haar terug te winnen
in zachte klanken als herkenningsteken
van lief en leed, bewogen neergestreken.
Wie haar ontvlucht, roept zich de stem te binnen
van 't luisterstille voor geen storm geweken
en voelt verwondering bij haar beginnen.


Piet-Hein Houben (geb. 1931)
uit: “Stille sonnetten”


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


VLASSENBROEK


een wasem sliert door notelaars
langsheen de winterstille polder
de kolkdijk biedt zijn wandelaars
zicht op een lichter bij de bolder

mezen en vinken kwinkeleren
een wilde eend scheert 't Scheldevlak
wijl reigers eindeloos flaneren
langs oeverboorden, schor en brak

valavond drijft de schapen binnen
langs 't wegje uit het veengebied
de waterzon gaat dra verschimmen
en schuift in rood achter het riet


Aramis, 6 februari 2007


Afbeelding


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#10  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:24 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Lies schreef:
Afbeelding


PANTA REI


In verzen brengt men ademloos tot stand
wat in de wereld stroomt en vaag vervliet
men dwingt het in de bedding van een lied
en plant de Chaos in een klaar verband.

Want alles stroomt en buigt gelijk een riet
achter het rietbos aan de oeverrand:
-de stage wind waait over stad en land-
het neigt, men ziet het en men ziet het niet.

Maar wat ontnomen aan de wereldstroom
in verzen rust vindt, valt een wijle stil,
gelijk een kind in een zeer witte droom:

het ademhaalt nog maar het heeft geen wil;
het houdt de dage-daden vast in toom
als witte duiven in een glazen til.


Bertus Aafjes (1914-1993)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Vézelay, basiliek Ste-Madeleine (12e-13e eeuw), De mystieke molen


Vézelay


Ik keer tot korrel weer
de molen wacht.
La Madeleine schudt het kaf
van mij gevallen engel.
Ik baad in heet berouw
langs maalstromen van
barbaarse eeuwen.
Wordt dit mijn laatste onderdak
naar Santiago aan
het eind van land en zee?


Frans Fransaer (1934-2010)


Afbeelding


Lies schreef:
Afbeelding


DE SCHAATSER


Over de blauwe ijsvloer sneed het ijzer
met lange kerven links en rechts kriskras
graffiti op de gladgestolde vijver
die eensgezind vreesloos veroverd was.

Voormiddaglicht voorzichtiger en grijzer
viel in mijn spoor geluidloos als oud zand
terwijl ik met een plotselinge ijver
koers zette naar de verre overkant.

Onder mijn voeten gleed de ingevroren
flora van wieren waterdiep voorbij,
de wind vol kille handjes aan mijn oren
het dorp onzichtbaar verder weg van mij.

De rinkelstemmen van de klasgenoten
vrieskoude, vrolijke, vielen uiteen:
wanneer ik stilhield was de wereld groter
dan ooit tevoren en voor mij alleen.


Anton van Wilderode (1918-1998)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


DE LAATSTE DAGEN


De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.


Anton van Wilderode (1918-1998), uit Op hoop van vrede, 1988


Lies schreef:
Afbeelding


Gelijk de golven naar het kiezelstrand
Spoeden zich onze uren naar hun eind,
Elk nieuw uur schuift het oude aan de kant
En zwoegt vooruit, totdat het zelf verdwijnt.
Geboorte die eens in een lichtglans baadde,
Kruipt naar volwassenheid; draagt ze die eer,
Dan komen boze voortekens haar schaden
En Tijd die gaf, verderft zijn gave weer.
Want Tijd vernielt de bloei der jeugd en schuurt
Dubbele groef in schoonheids aangezicht,
Hij voedt zich met de wonderen der natuur,
Niets staat dat als hij heeft gemaaid niet ligt.
Wat ook de toekomst brengt, mijn vers houdt stand,
En zingt jouw lof ondanks zijn wrede hand.


William Shakespeare (1564-1616)
Vertaling Peter Verstegen


Simpel schreef:
Afbeelding

Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort

Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort.
Sie sprechen alles so deutlich aus:
Und dieses heißt Hund und jenes heißt Haus,
und hier ist Beginn und das Ende ist dort.

Mich bangt auch ihr Sinn, ihr Spiel mit dem Spott,
sie wissen alles, was wird und war;
kein Berg ist ihnen mehr wunderbar;
ihr Garten und Gut grenzt grade an Gott.

Ich will immer warnen und wehren: Bleibt fern.
Die Dinge singen hör ich so gern.
Ihr rührt sie an: sie sind starr und stumm.
Ihr bringt mir alle die Dinge um.

Rainer Maria Rilke


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


STILLER WORDEN ONZE DAGEN


Ontwijkend stellen wij de vragen
doorheen de jaren aangeleerd
En stiller worden onze dagen
nu ‘t vuur tot sintels is verteerd.

En trager worden onze schreden
in maanden, jaren die maar gaan,
wijl dromen uit een ver verleden
onzeker in het heden staan.

En steeds maar zachter wordt het zingen.
Van ‘t lied dat eenmaal heeft vervoerd,
resten alleen herinneringen.
En weemoed die het hart beroert.


Pierre Van Laeken (°1938)


Lies schreef:
Het was fijn toeven op het poëzieplein Joris :flowers: , veel geluk in 2011, en ik hoop dat het je voor de wind gaat in een ander oord :yes: . Ik ga uitwaaien, misschien in Noorpolderzijl.

Afbeelding

AFSCHEID


In witte wikkels ligt het oud gehucht
op ’t sluimerkussen. Helder blinkend beeld
van vlokken, veren in de val verspeeld
tot blanke adem van de grijze lucht.

Een vogel scheert over het land en streelt
met lange wiekslag sneeuw, als in de vlucht
een haas zijn sprong met voetprenten verlucht;
nog is de wereld een en onverdeeld.

Ze droeg de muts bij hoge laarzen, zwart;
de dag was na de nacht in kou geboren.
Het landschap leek omfloerst, verstild verloren
toen zij de weemoed vrijsprak uit haar hart:
wit rondom wit – alsof dit blijven zal;
de sneeuw voorspelt het afscheid overal.


Piet-Hein Houben (1931)
Uit: “Stille sonnetten”


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
Het was fijn toeven op het poëzieplein Joris :flowers: , veel geluk in 2011, en ik hoop dat het je voor de wind gaat in een ander oord :yes: . Ik ga uitwaaien, misschien in Noorpolderzijl.
(...)
Je bijdrage was van ’t patersvaatje, Lies. :thx:
Wederkerig een grote bos bloemen :flowers: en veul hail en zegen ien't nije joar!

Misschien ga ik wel in retraite in Lampernisse…

Afbeelding


EPILOOG


Vergeet het jaar dat u weemoedig maakt,
Vergeet het jaartal dat u heeft doen beven,
Vergeet de helden die voor 't voetlicht sneven,
Vergeet het ziekbed waar gij hebt gewaakt.

Niets is er dat niet in 't vergeetboek raakt,
Waar zichtbaar slechts het jaar staat opgeschreven
Waarin wij fel en onnadenkend leven,
Zoodat men opgelucht het blaad'ren staakt.

Maar and'ren willen, dat men 't jaar omarmt
Als een geliefde van wie men gescheiden
Ter lange loutering door 't noodlot is.

En wie zich zóo over het jaar erbarmt
Vergeet zijn angst en zijn bekommernis
En vindt een goudmijn in de nacht der tijden.


Simon Vestdijk (1898-1971), uit ‘Gestelsche liederen’, 1949


Lies schreef:
Lies schreef:
Ik verhuis niet mee....(......)
Daarom zal ik hier af en toe nog een gedicht plaatsen.....

Afbeelding


JAARWISSELING


Waarom begroet men steevast alle jaren
Die middernacht als magisch fenomeen?
Al is het nieuwe jaartal even wennen
De dagen zijn niet anders dan voorheen

We kunnen wel met veel tamtam verklaren
‘Ik kuis mijn taal’ ‘Ik drink niet meer alleen’
Maar hoe we ook gaan lijnen, sparen, rennen
De dagen zijn niet anders dan voorheen

We blijven wie we gister ook al waren
En rijgen stil een levensloop aaneen
We dromen, vrezen, hopen, wachten, plannen
De dagen zijn niet anders dan voorheen

We krijgen meer (of minder) grijze haren
Al zullen velen liefst ook dat ontkennen
De dagen zijn niet anders dan voorheen


Kees van den Heuvel (1960-2010)
Uit: "De Tweede Ronde"


mallemeid schreef:
Afbeelding


STEL JE VOOR

Stel je voor
dat alles vandaag
gebeuren ging.
De langverwachte brief,
de gedroomde ontmoeting.

Stel je voor
dat je precies wist
wat je moest zeggen.
Dat zelfs het kleinste woord
werd begrepen.

Geen plannen meer,
geen uitstel.
Je stond op en
alle doen en laten
stroomde voort.

Stel je voor
dat niets meer hoeft
te rijmen
om waar te zijn.
Woord na woord.

Eric van Loo
uit 'nog een lente'


Lies schreef:
Afbeelding


WINTER


De sterren wintertintelen
en de maan
doorschijnt de Melkwegnacht.
Het kraakt van sneeuw op aarde
waar ik ga.
een nieteling, een adem wit,
een ademdamp van liefde en poëzie.


Ida Gerhardt (1905-1997)
Uit: 'De Hovenier'


Lies schreef:
Afbeelding


IETS ONVERWACHTS


De ezel draagt. Er staat een klein paneel
waarop de kleuren straks gaan ademhalen
In ’t atelier begint het licht te kralen,
als zij verschijnt in zwart en okergeel.

Zij wil haar houding met geduld herhalen,
vraagt naar de toonsoort van het tafereel
en of ik in de streek de lijn omspeel
of juist de hand impressies laat vertalen.

Wie schildert niet zoals het oog het ziet -
de beeltenis vanuit het hart bemeten?
Een mond die zwijgt, kan spreken van verdriet,
de blik vertoont wat diep verborgen heette;
’t is niet het kleed waarvoor ik stil ontketen
iets onverwachts wat door de verf heen schiet.


Piet-Hein Houben (1931)
Uit: “Stille sonnetten”


Lies schreef:
Afbeelding

HET WIEL


's Winters willen wij de lente
en in de lente liefst de zomer,
en als het wemelt in de heggen
zeggen wij: laat de winter komen.
En daarna is er niets meer goed:
het voorjaar komt er niet meer aan.
Wij weten niet dat in ons woedt
verlangen om maar dood te gaan.


William Butler Yeats (1865-1939)


guus kuhne schreef:
Credo
Remco Campert
Dichters van deze tijd
. 22ste-druk
uitgeverij:
P.N. van Kampen
Amsterdam 1969

Meer van Remco Campert
ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van pozie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen

ik wil geen water uit de rotsen slaan
maar ik wil water naar de rotsen dragen
droge zwarte rots
wordt blauwe waterrots

maar de kranten willen het anders
maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen
rechtsomkeert


Lies schreef:
Afbeelding

IN DIT ONDERMAANSE


Ik ben nog jong. Een ijsbaan is het leven.
De benen zweven en de zinnen zweven.
Vioolmuziek klinkt uit een megafoon.

De sneeuw maakt van de wereld een stilleven.
Ik tintel en ik draag een koningskroon.
Door eigen krachten word ik aangedreven

En vrienden zeilen schaterend voorbij.
Het is in hartje winter volop mei.
We schaatsen op een vloer van porselein

En slaan de dagen stuk om aan het end
Te stoppen bij de koek- en zopietent
Waar zure melk en bitterkoekjes zijn.


Gerrit Komrij ( geb.1944)
Uit: ‘Rook zonder vuur’


Floortje schreef:
Afbeelding

Het Huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

--------------------------------------------
uit: Verzen van Willem Elsschot (1882-1960)


Lies schreef:
Afbeelding


Neem een woord
mee naar huis
tel geen jaren
zoek geen vaste ster
aan de rand
van een schemerzone.

Leer overwinteren
in het beeld
van een boom
bij vlagen opgelicht
door een bolrond
maangezicht.

De takken die hij mist,
opwaarts gericht
als hij is,
geven zijn romp
de kale kracht
van een opgekroonde mens.


Lucienne Stassaert , geb. 1936
uit: 'Blind vuur'


mallemeid schreef:
Afbeelding


Winter

Ik ben gestorven zonder het te weten
want anders had ik me toch wel verzet
en als een starre wacht voor 't raam gezet
zit ik dit bodemloos bestaan te meten.

Ik heb maar een verlangen - te vergeten
maar op mijn ademtocht de nerf gewet
groeit er aan ijsvarens een rauw bouquet
en buiten ligt een toegevroren Lethe

en ik blijf wachten - meet het leven uit -
het is woestijn, herkomst en doelverloren
de stem des roependen zonder geluid.

Was er ooit een die mij had kunnen horen?
een eenzame voor een bebloemde ruit
en buiten blanke toegesneeuwde sporen

Anna Blaman

foto: rudolf.web-log.nl


Simpel schreef:
[filmpje]http://www.youtube.com/watch?v=FRox_cBwmh4[/filmpje]

Im Frühling

Hier lieg' ich auf dem Frühlingshügel;
die Wolke wird mein Flügel,
ein Vogel fliegt mir voraus.
Ach, sag' mir, all einzige Liebe,
wo du bleibst, daß ich bei dir bliebe!
Doch du und die Lüfte, ihr habt kein Haus.

Der Sonnenblume gleich steht mein Gemüte offen,
sehnend,
sich dehnend
in Lieben und Hoffen.
Frühling, was bist du gewillt?
Wann werd' ich gestillt?

Die Wolke seh' ich wandeln und den Fluß,
es dringt der Sonne goldner Kuß
mir tief bis in's Geblüt hinein;
die Augen, wunderbar berauschet,
tun, als schliefen sie ein,
nur noch das Ohr dem Ton der Biene lauschet.

Ich denke Diess und denke Das,
ich sehne mich, und weiß nicht recht, nach was:
halb ist es Lust, halb ist es Klage:
mein Herz, o sage,
was webst du für Erinnerung
in golden grüner Zweige Dämmerung?
--Alte unnennbare Tage!

Eduard Mörike (1804-1875)


Lies schreef:
Afbeelding

ZOVEEL


Weer wakker worden onder 't tuimelraam
waar regendroppen speels de sponning raken;
ik hoor de dag zich lispelend vermaken
met glinsterende parels zonder naam.

Zijn dit de klanken die het woord verzaken?
Hoor ik een stem stilzwijgend verdergaan?
Het water spijpelt op de planken aan,
waar boeken nog welsprekend staan te waken.

Hier draagt de druppel die de druppel trekt,
verlangen door verlangen uitgerekt
tot licht op licht waarin de vraag verdwijnt
en zienderogen heldere kleur verschijnt.
Geen riem papier zal ooit de pen belonen
met zoveel stilte dat er licht kan wonen.


Piet-Hein Houben (geb.1931)
uit: "Stille sonnetten"


Lies schreef:
Omdat het vandaag Gedichtendag is......

Afbeelding


WIE GAAT, WAT BLIJFT


Als ik verdwijn bestaat de wereld voort
de jonge bomen waaiend en volwassen
boven het glijdend groen van zoveel grassen,
de vogels gaan gewoon met zingen door

de sterren draaien met dezelfde naam
voor mensen met veranderende namen
in haar voor altijd uitgezette banen
zolang de zon duurt en de zomermaan,

er zal een menigte van rozen zijn
en ronde sneeuw des winters op de wegen
en speelse pirouettes van de regen
en dag en nacht en dag, als ik verdwijn.


Anton van Wilderode ( 1918-1998)


Lies schreef:
Afbeelding

WINTERDAG


Rijp op het gras. De sloot gesteven, kraakt.
Herinnering beslaat soms meer tijd dan er was.

Februari, ik ben tien. Pas als ik groot ben oud.
Vertrouwd de polders zover ik ze kan zien.

Al wat ik voel staat om me heen.
Ik kijk en trek de lijnen daar omheen
van wat ooit tekening zal zijn:

winter, velden, hier de sloot.
Dat kind ben ik. Wat was ik klein
en nu ik er naar omzie groot.


Johanna Kruit ( geb. 1940)
Uit: "Omtrent het getij"


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#11  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:26 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Lies schreef:
Afbeelding


VLINDERS


Zoals de zachte nachtgeluiden
stil komen dwalen in je droom
raken gedachten je soms aan.

Dat moeders ook dood kunnen gaan.
Dat vaders wel eens kunnen huilen.
En dat je nooit weet wat er komt.

Hoe kun je een gedachte laten zwijgen?
Het zijn net vlinders: kun je vlinders slaan?

Je wilt gewoon dezelfde blijven.
En dat er niemand weg zal gaan.


Johanna Kruit ( geb. 1940)


Lies schreef:
Afbeelding

LAAT MIJ MIJN DROMEN: IN DE MAARTSE DAGEN


Laat mij mijn dromen: in de maartse dagen
als ’t komend voorjaar aarzelt en de regen
rivieren maakt van weilanden en wegen
houden zij uit mijn ziel de norse vlagen.

O als mijn ogen geen geheimen zagen:
wondren van dromen wenkend allerwegen
een gouden hemel vol van zonnezegen,
wat zou ik schreien, wanhopen en klagen!

En als mijn zangen wild of droevig klinken
met ongeduld of hartstocht in hun woorden –
vrees niet: wie zingt is ’t lijden al voorbij.

’t Lied is als donderslagen die eerst zinken
nadat de bliksemschicht gevaarvol boorde:
zo is het hart dat zingt reeds tranen-vrij.


Henricus Zacharias Alexander (Alex) Gutteling (1884-1910)
Uit : “Een jeugd van liefde”,1906


Lies schreef:
Afbeelding

IN AANTOCHT


De lentesnaren – even aangestreken –
dragen de kwint op vedels van de wind.
Hoor hoe de trilling streelt, de ronding vindt
waarop het voorspel licht kan oversteken.

Een klank die luistert waar de klank begint
omhoog en op één woord zou kunnen breken,
zo broos is dit onuitgesproken spreken,
zo stil de roep die ’t van de verte wint.

Een hart in aantocht is een hart ontvouwd
op vleugelslag van dromend toebehoren.
De klop vuurt aan, laat onbeteugeld horen
dat wat er stroomt, de klop nabij komt vragen.
Verlangen als een parel die – gedragen
dicht aan de huid – licht terugkaatst, glans behoudt.


Piet-Hein Houben (1931)
Uit: “Stille sonnetten”




Lies schreef:
Afbeelding

SCHADUW EN LICHT


Gij kunt, een winter lang, geborgen in uw stenen
woningen, vragen: heeft het menslijk lot
een reden van bestaan of is er gene,
en is het alles maar: dood in de pot?

Maar als het voorjaar nadert op zijn tenen
door groene velden en zacht fluit en spot
met alle raadsels, alle fenomenen,
als de aarde licht wordt, kinderlijk en zot,

wat kan ’t u schelen of iets blijft verborgen
van het geheim waarmee ge uw dromen voedt?
Het licht zal verder voor genezing zorgen.

Zie hoe de naakte perzikboom verbloedt
in roze luister in den frissen morgen!
Hou je gedekt, wees kalm, de zon is goed.


Jan van Nijlen (1884-1965)


Joris van Rode schreef:

Maar die kat kom weer,
die kon nie langer wach,
...


http://www.peoplepets.com/news/video/th ... -service/1
Drie magere maanden Opinari … niet te harden!

Afbeelding
Albijn van den Abeele (1835-1918), Weide in de lente, 1890


LENTE


Zon op dunne lenteblaren,
Dans van schaduw voor de voeten,
Wind door opgehuifde haren,
Kushand, lach en vluchtig groeten…

Moet de druk van lange dagen,
Moet de gaaf der ogenblikken,
Dan zo zwaar zijn om te dragen,
Dat die last de knie doet knikken?

Vlindrend vouwen zich de kelken
Om de nieuw ontkiemde vruchten,
Weinig weegt hun wit verwelken
Voor de vlekloos blauwe luchten;

Kan een machtig man, een koning,
Niet met kransen, lichte dingen,
’t Dak versieren van zijn woning,
Mag een knaap niet voor hem zingen?


Aart van de Leeuw (1876-1931)


Lies schreef:
Afbeelding

MEREL


’n Genadelose verhaal
afgepas in hemelse taal:
’n merel borduur die dag
met sliertjies en sterretjies van sang.
Hy sing sonder selfbeklag,
vertel nie hoe erg hy verlang,
verdryf net met soetste venyn
inbreukmakers op sy terrein.

Plus-minus 4 v.m.
in die klokhuis van April:
die wagtende nag, ritselstil,
verfyn die ontvonkbare stem
wat dwarsdeur weer en wind
siklies en lewenslank
uitwissing trotseer tot die punt
van vlymdun, ylhoofdige klank.


Elisabeth Eybers (1915-2007)


Joris van Rode schreef:
Lies schreef:
Joris van Rode schreef:

Maar die kat kom weer,
die kon nie langer wach,
...


http://www.peoplepets.com/news/video/th ... -service/1
Drie magere maanden Opinari … niet te harden! (.....)
Welkom terug Joris :top2: , maar aan kijkers had je geen gebrek. Dit is nog steeds een plekje waar je in alle rust kunt ontbijten..... :yes:

:) Leutig, Lies, dat ontbijt ! ! !

Mijn vlucht naar “het poëzieschuiloord: voor als de wereld te hard gaat” bij Opinari was echt geen goed idee. :badidea:

‘k Ben blij terug te zijn op het poëzieplein. Mijn bijdragen zullen wel in een ietwat trager tempo komen. :krantjekoffie:


Afbeelding


DAG VAN SCHOONHEID


De bot, die berst; de bij, die zoemt,
de wind, die zotheid gaat vertellen:
wat men kortweg de lente noemt
en de aarde komt op stelten stellen;
dat klotst nu alles door mijn kop,
en 'k stak er wel een pluimken op,
als ik maar niet zo deftig was,
zo stijf in mijn geklede jas.
Als ik de band maar los kon knopen,
nam ik u allen dubbelthope:
gij meiskens uit de stad, de stal,
gij wijs als 't boek, gij dom als oordje,
gij uit 't kasteel en gij uit 't poortje,
en gij, o boom, en gras en wal,
gij witte, wandelende pater,
gij paard, gij zon, gij wolk, gij water,
en 'k danste midden in uw tas,
als ik maar niet zo deftig was,
zo stijf in mijn geklede jas.


Richard Minne (1891-1965)


Lies schreef:
Afbeelding

VOORJAAR


Het licht vlaagt over 't land in stoten,
wekkend het kort en straf geflonker
der blauwe wind-gefronsde sloten;
het gras gloeit op, dooft uit, is donker.
Twee lammren naast een stijf grauw schaap
staan wit, bedrukt van jeugd in 't gras …
Ik had vergeten hoe het was
en dat de lente niet stil bloeien,
zacht dromen is, maar hevig groeien,
schoon en hartstochtelijk beginnen,
opspringen uit een diepe slaap,
wegdansen zonder te bezinnen.


M. Vasalis (1909-1998)
uit: "Parken en woestijnen"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Theresia Züllig, Frühling, 2003


Le temps a laissié son manteau
De vent, de froidure et de pluye,
Et s’est vestu de brouderie,
De soleil luyant, cler et beau.

Il n’y a beste, ne oyseau,
Qu’en son jargon ne chante ou crie
Le temps a laissié son manteau
De vent, de froidure et de pluye.

Riviere, fontaine et ruisseau
Portent, en livree jolie,
Gouttes d’argent, d’orfaverie ;
Chascun s’abille de nouveau
Le temps a laissié son manteau.

Charles, duc d’Orléans (1394-1465)
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Vertaling: J.H. Leopold (1865-1925)

’t Getij liet uit den mantel zijn
van wind en strenge kou en regen
en heeft een luchten zwier gekregen
van helderlichten zonneschijn.

En daar is dier noch vogelijn,
of in zijn taal roept het u tegen:
’t getij liet uit den mantel zijn
van wind en strenge kou en regen.

Rivier en beek en springfontein
hebben een staatsie aangekregen
uit zilverdruppels saamgeregen,
een elk wil op het fleurigst zijn,
’t getij liet uit den mantel zijn.


Lies schreef:
Afbeelding


ONGELIJK


Alleen de bomen hebben gelijk.
Géén die van katheder of kansel
het diep geheim canceleert
want de woorden moeten verdwalen
ver over de grens van de taal.
Spreken laat nooit ongedeerd.
Alleen de nachtegaal verkondigt
in nachtelijke klank het geheim,
op meer dan menselijke schaal
zonder dat hij zichzelf bezondigt.
Als de gedachten loof
en de lippen schors zijn geworden
kan pas het diepst geloof
geheel als de bomen worden.


Anthonie Donker ((1902-1965)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


HET WAPEN


Ik neem koelbloedig de geruchten op
Die voorjaarswind door 't open venster blaast.
't Ontroert mij niet en de oude harteklop
Gaat, als voorheen, niet sneller en verdwaasd
Wanneer de zon de jonge knoppen breekt.
Ik vond de rust, maar deze valsche vrede
Is een geschenk van 't leven dat zich wreekt:
Ik ga met trage stappen naar beneden.

Ik schuif dan ook voorjaar en zon terzijde
En om den tijd, die voortknaagt, te bestrijden
Heb ik 't beproefde wapen opgeraapt,
Den droom, die, als van ouds, mij zal verlossen
Op een rivier der Braziliaansche bosschen,
Waar de anaconda langs den oever slaapt.


Jan van Nijlen (1884-1965)


Lies schreef:
Afbeelding

LEVEN


In deze kolk der kleuren, met een geest,
Die neemt en vergelijkt en zich laat leiden,
Door wat tot zekeren vorm kwam aan zijn zijden,
De richting volgt van ’t goed dat is geweest.

Een wond van onrust, die de tijd geneest,
Zoodra wij de ons bestemde wegen schrijden,
En ’t ongeduld, dat beter doet benijden,
Profaan en heilig, voor zichzelf niet vreest.

En om ons dwalen andren rond, bestaan
De vormen, die denzelfden droom beleven,
En vinden dat zij eendre wegen gaan.

En rust is ons met droomerij gegeven.
En schoonheid, om het oog naar op te slaan:
Een haltepunt waar eendre wenschen bleven.


L. van Lange (1894-1945)
uit: "De beek van Narcissus"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Rik Leppens (°1935), Fluitspeler


FLUITSPEL


Toen heb ik uit holle rieten,
Speelman, die ten dans komt noden,
Troostend melodie doen vlieten,
Want ik weet de gang der goden;

Hoe zij eerst de onbewuste,
Sluimerend als gesloten kelken,
In de kuise boezem rusten,
Dan ontluiken en verwelken;

Wee, dat tranen wekt en zuchten,
Wie toch kan het heil begrijpen,
Dat beloofd wordt door het rijpen,
En vervulling vindt in vruchten.

Doch mijn lippen, die zich spoedden
Op en neer de reeks der klanken,
Deden bloesemend een vermoeden
Rond de dorre takken ranken.

En de knaap sprak: 'liefste, luister
Wat ligt in dit lied verborgen,
Los zich windend uit het duister?'
'Morgen', zong mijn fluitspel, 'morgen'.


Aart van der Leeuw (1876-1931), uit Opvluchten, 1922.


Lies schreef:
Afbeelding

DE APPELBOOM


In het meiparadijs, onder een mooie appelboom,
die van de bloemen schudt als van de lach,

die onbewust van goed en kwaad
zijn takken rustig ophaalt,

die van niemand is, wie ook ‘mijn’ zal zeggen,
alleen bezwaard wordt door voorvoelde vruchten,

die niet nieuwsgierig is naar jaar of land,
noch naar de planeet en hoe deze draait,

die zo weinig aan mij verwant is, zo anders,
dat het me troost noch bang maakt,

die onverschillig is, wat er ook gebeurt,
en van geduld met elk van zijn blaadjes trilt,

die onbevattelijk is, als droom ik hem,
of droom ik alles uitgezonderd hem
te uitgebeeld en ingebeeld –

nog even blijven, niet naar huis gaan.
Naar huis gaan willen alleen gevangenen.


Wisława Szymborska , geb. 1923
uit: "Einde en begin"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

MEIMORGEN


Laat verder al de dagen zijn als deze!
Dan is er niets meer wat ik nog begeer.
Ik denk aan niets, ik vraag me zelfs niet meer
Kan ik, een tweede maal, zo zalig wezen?

Straks komt het einde, ik kan het duidlijk lezen
In atmosfeer en licht, maar ik negeer
Èn elke kwaal èn elk verouderd zeer:
Zelfs als ik doodga, ben ik toch genezen.

De lucht is grijs, een korte regen valt,
De clivia's en fuchsia's staan buiten
En dampen geurend op het warm asfalt.

Zo gaat het lieve, daaglijks leven voort –
Straks schijnt de zon – en duizend vogels fluiten
In al de kroegen van de Naamse Poort.


Jan van Nijlen (1884-1965)


Lies schreef:
Afbeelding


Tussen fonkelnieuw groen
dwarrelt wit dons decoratief
omlaag: in een zonbeschenen
boom twee van oudsher
populaire vredessymbolen
elkaar met menswaardige
verbetenheid bevechtend.
Leerzaam tafreeltje voor wie
net als ik geneigd is
meer van dieren te houden
dan van de meeste mensen.


Hanny Michaelis (1922-2007)
Uit: “De rots van Gibraltar”


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


DE CACTUS


Kaal staat hij voor de blankheid der gordijnen,
verschrompeld in wat kiezel en wat zand
en mist zijn ziel: het alverschroeiend schijnen
der eeuwge zomers van zijn vaderland.

Maar aan het einde van zijn lijdzaam dulden,
spruit op een lichte morgen, als een vlam
van 't heet verlangen dat hem gans vervulde,
een bloem van heimwee uit zijn dorre stam.

Hij bloeit; en in die onverwachte droom
laat hij een stond zijn heimlijk wezen blinken
in 't graf van broze bloembad en aroom,

zoals de dichter die, na harde strijd,
zijn innigst voelen in een lied doet klinken
en weerkeert tot zijn oude eenzelvigheid.


Jan van Nijlen (1884-1965)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


NACHTS


Ich steh im Waldesschatten
Wie an des Lebens Rand,
Die Länder wie Dämmernde Matten,
Der Strom wie ein silbern Band.

Von fern nur schlagen die Glocken
über die Wälder herein,
Ein Reh hebt den Kopf erschrocken
und schlummert gleich wieder ein.

Der Wald aber rühret die Wipfel
Im Traum vor der Felsenwand.
Denn der Herr geht über die Gipfel
und segnet das stille Land.


Josef von Eichendorff (1788-1857)


Lies schreef:
Afbeelding

MEIMORGEN


Zwaar ademen de landen, murmelend ingebed
in schemerende stromen druivenkleurig lover;
satijnen wilgen huivren dauwbedropen over
den effen stroom, waar koeien, vlokken violet

in ‘t nevelblauwe licht, het vroege uur verdromen.
Een reiger schaduwt langs den schuchtren hemel, traag,
op donzen pennen, droom in droom, en spiegelt vaag
zich in de opalen plas, die tussen wilde zomen

van pijpkruid bloeit. Een tengre brug huift als een blauwe
omarming over ‘t water, waarop bloesems dauwen,
en waar het bloedend licht zich langzaam gaat ontvouwen
dropt rood de morgen langs de zilvren bloesembomen.


Truus Gerhardt (1905-1997)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

OUD

Verwaaide heesters in een leegen tuin.
Klimrozen in de luwte van den muur.
Wat zonnebloemen, spruitend tusschen 't puin
Der vorige winter ingestorte schuur.
Het vage pad door hei naar 't lage duin,
Vanwaar ik 's middags op den einder tuur

Over mijn boot, gekanteld, half in 't zand,
Door 't laatste springtij hoog op 't strand getild.
Een meisje gaat, de rokken in de hand,
Als zeilde zij – wat lijkt ze slank, jong, wild –
Boven de golven, raaklings langs den rand
Van 't leven, enkel leunend op den wind.

Ben ik het zelf, die vroeger met een vrouw,
Jeugdig als zij, hier speelde nymph en sater,
En haar in 't doodstil zand, het deinend blauw,
Bezeten heb, bemind en toch verlaten:
Die nu mij hier voel staan, te stram, te grauw,
En dezen buit voorbij laat langs het water?

Jan Jacob Slauerhoff (1896-1936)


Lies schreef:
Afbeelding

MEI


in de vrolijkheid van mei schuilen
de wijze vogels
ze praten met hun jongen over het verschil
tussen regen en zon, huid en pluimen
vallen en vliegen

vliegen is verdwijnen zonder weg te gaan
vliegen is in de dromen van de bomen liggen
en toch zwenken in de koele adem
van wind en weten

vliegen is de zomer in warmte vertalen
is je buik doen lachen en je hart
weer malser maken

vanuit het plafond van de wind
kijken de vogels naar onze gebrekkige gebaren
naar de karige armslag van onze verbeelding

maar vliegen is toch versnellen
in de smalle bochten van de liefde


Roel Richelieu van Londersele, geb.1952
uit: "Een jaar van september"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
‘Fluitspeler’ in de beeldentuin bij het museum "Het Nijenhuis", Heino (Overijssel).


DE TROUBADOUR


Die 's nachts romancen floot onder de linden
En 's middags scherzo's op de markt der dorpen,
Hij heeft zijn fluit in een fontein geworpen,
En wilde een moeielijker wijsheid vinden.

Hij heeft des nachts op een rivier gevaren,
Hij zag het zonlicht dat de straten kleurde –
En wist dat hij niet leefde, maar gebeurde,
Dat daden machtloos als seizoenen waren.

Hij was een reiziger, den dag lang droomend,
Zijn doel was naar een horizon gericht,
Hij voelde 't leven uit zijn hart weg-stroomend –

En zijn gelaat was bleek, en blonk van licht,
Als van den man die, uit de bergen komend,
God zag van aangezicht tot aangezicht.


Martinus Nijhoff (1894-1953)


Lies schreef:
Afbeelding

JUNINACHT

Tekst voor een ballet


Vreemd aan de ander in war doorelkander
danst om de rozen die raadselen zijn.
Wars is de wijn op de bodem der kelken,
groene festoenen zij moeten verwelken:
danst door de doolhof van lachen en pijn.

Naderen, kruiselings wisselen, keren;
tegen verlangen kan géén zich verweren:
vraagt het de rozen die raadselen zijn.

Dansen is dolen, is derven en zwerven,
aarzelend verkiezen en rakelings verliezen,
handen in handen staan bij het refrein;
zingen en springen, de tranen verdringen:
danst om de rozen die raadselen zijn.


Ida Gerhardt (1905-1997)


Joris van Rode schreef:
De troubadours uitten zich in het Occitaans en de hoofse liefde was hun geliefd thema, zo ook Bernart de Ventadorn (ca. 1135 - ca. 1200):

Afbeelding

CAN VEI LA LAUZETA MOVER

Can vei la lauzeta mover
De joi sas alas contra .l rai,
Que s'oblid' e .s laissa chazer
Per la doussor c'al cor li vai,
Ailas! quals enveja m'en ve
De cui qu'eu veja jauzion!
Meravilhas ai, quar desse.
Lo cors de dezirer no 'm fon

Ailas! tan cuidava saber
D'amor no .m posc tener
Car eu d'amar no .m posc tener
Celeis don ja pro non aurai.
Tout m'a mon cor, e tot lo mon;
E me mezeis e tot lo mon
can se .m tolc, no .m laisset re
Mas dezirer ecor volon

[filmpje]http://www.youtube.com/watch?v=I9gzaauL67s&feature=related[/filmpje]

Vertaling:

Wanneer ik de leeuwerik zie bewegen
Zijn vleugels van vreugde en naar de zon vliegen
Zichzelf vergetend en vallend
In het geluk dat door zijn hart stroomt
O, wat benijd ik dan
Alle wezens die ik gelukkig zie
Ik ben verbaasd dat
Mijn hart niet smelt van verlangen

O. wat wist ik toen veel
Van liefde en hoe weinig weet ik nu
Want ik kan niet stoppen lief te hebben
Haar van wie ik niets mag hebben.
Heel mijn hart en heel haarzelf
Heel mijn zelf en alles wat ik heb
Zij nam het van mij af en laat mij niets
dan verlangen en een zoekend hart


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#12  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:27 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Lies schreef:
Afbeelding

GEDICHT


Een gedicht is wat het is,
niet van gisteren of van morgen,
vers als de vrouw die ik nu
streel. Ik ken haar niet.
Na vandaag vergeet ik
hoe zij hier bestaat.

Duizend gisterens had ik haar
misschien even lief want lief-
hebben is elke dag sterven, dichten
doodgaan ieder vers opnieuw.
Hoe meer je uit herinnering
liefhebt, hoe minder schuldeloos
en fris je overleeft, dichten
is steeds leeg beginnen.

Liefde verdraagt geen gisterens,
geen morgens. Hun rumoer verbreekt
de stilte om de verwondering.
Ik streel niet uit heimwee of
verwachting, ik streel wat ik zie.
Een gedicht kent geen verdriet,
geen hoop. Het is zorgeloos zichzelf.


Victor Vroomkoning (geb.1938)
uit: "Echo van een echo"


Emma schreef:
Ti amo, oggi piu di ierie ma meno di domani

Ik hou van je
Vandaag
Meer dan gisteren
maar minder dan morgen


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Beatriz Condesa (gravin) de Dia (12de eeuw) was een ‘trobairitz’ (vrouwelijke troubadour) uit de Provence. Van haar zijn vier liederen bewaard. In het hierna volgende lied (ca. 1160) uit zij haar hartstochtelijke (en allesbehalve hoofse!) liefde voor de troubadour Raimbaut de Vaqueiras.

ESTAT AI EN GREU COSSIRIER

Estat ai en greu cossirier
per un cavallier qu'ai agut,
e vuoil sia totz temps saubut
cum ieu l'ai amat a sobrier;
ara vei qu'ieu sui trahida
car ieu non li donei m'amor
don ai estat en gran error
en lieig e quand sui vestida.

Ben volria mon cavallier
tener un ser en mos bratz nut,
qu'el s'en tengra per ereubut
sol qu'a lui fezes cosseillier;
car plus m'en sui abellida
no fetz Floris de Blanchaflor:
ieu l'autrei mon cor e m'amor
mon sen, mos huoillis e ma vida.

Bels amics avinens e bos,
cora.us tenrai en mon poder?
e que jagues ab vos un ser
e qu'ie.us des un bais amoros;
sapchatz, gran talen n'auria
qu'ie.us tengues en luoc del marit,
ab so que m'aguessetz plevit
de far tot so qu qu'ieu volria.

[filmpje]http://www.youtube.com/watch?v=poq0otTzmCM[/filmpje]
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Vertaling:

IK VIEL TEN PROOI AAN LIEFDESSMART

Ik viel ten prooi aan liefdessmart
toen ik een ridder heb gekend;
ik wou dat niemand ooit ontkent,
dat ik door liefde was verward;
ik weet nu waarom ik leed:
door hem geen liefde te geven
heb ik een grote fout bedreven,
toen ik naakt was en gekleed.

Ik zou zo graag mijn ridder strelen
en in mijn naakte armen houden;
ik zou mijn passie willen delen,
en hem bedienen op zijn wenken;
ik wil hem nog meer liefde schenken
dan Floris Blancefloer kon geven.
ik bied hem mijn liefde en mijn hart,
mijn ziel mijn ogen en mijn leven.

Zoete vriend ik bemin je bovenal;
wanneer krijg ik je in mijn macht?
als je met mij slaapt op een nacht
dan geef ik je kussen overal;
naar jou verlang ik meer,
dan naar de liefde van mijn man,
als jij mij beloven kan
alles te doen wat ik begeer.


Lies schreef:
Afbeelding

Getreuzel van de meeuwen langs de kust
Langs zand en wier en wrakhout…
Heb ik nog slechts in beuzelingen lust,
Dat ‘k hier zoo moedig wacht houd?

Vermeit mij hun gefladder zonder kracht?
Van d’ eeuwige gezellen
Van hem, die zijn gelijke of speeltuig wacht
En dien al d’ uren kwellen…

Wacht ik op weerstand, prikkels, pijn en strijd,
Met saamgeknepen lippen,
En leef ik, een ontzielde, in een tijd
Die ’t werk der ziel laat glippen?

Keer ‘k daarom naar dit eerste element,
Om tegen mij te ontmoeten,
Krachten wier stomme impuls geen richting kent,
Die voor hun onmacht boeten?

Of zoek ik zout slechts, groen van wieren, smaak
Van vroegere avonturen?
Wordt de ijdelheid van alles mij een wraak
Die mijn geluk laat duren?

Helaas! Na al dit redeloos beraad,
Spreken zij als een teeken,
De natte sporen, die mijn voetstap laat
In ’t zand, waar golven breken…


L. van Lange
Uit:’Ik en het Oogenblik' , De Beek van Narcissus


Joris van Rode schreef:
Kleinkunst in het spoor van

De troubadours

De troubadours zijn in de stad,
de troubadours, de troubadours.
De troubadours zijn weer op pad,
de troubadours, de troubadours.
Ze kwamen uit de Middeleeuwen,
ze liepen langs de rand der eeuwen,
altijd dezelfde koers,
de troubadours, de troubadours.

De straat van het hart is een brede straat,
en een burchtpoort is zo smal,
een minnestreel die uit zingen gaat,
moet eerst over de wal.
Langs de voorburcht de soldaat,
de paladijnen in vol ornaat,
naar de jonkvrouw in goudbrokaat,
in de hoop dat zij zijn lied verstaat.

De straat van het hart is zo grenzeloos wijd
en een stadspoort is zo smal,
maar als een minnestreel binnenrijdt,
weerklinkt luid hoorngeschal,
zij die luisteren vergeten tijd,
vergeten vete, vergeten strijd,
als er één zingt wat in hen schreit,
in de hoop dat hij hun hart bevrijdt.

De straat van het hart ving God-weet-waar aan,
en die straat kent rand noch grens,
altijd zal iemand de vedel slaan,
altijd zingt er een mens.
Altijd kwamen dromers gegaan,
langs dezelfde eind’loze baan,
langs de sterren en langs de maan
in de hoop dat wij hun lied verstaan.

Bert Broes (1919-1997), in 1965 gezongen door Miel Cools (°1935):
http://www.mielcools.nl/teksten/detroubadours.html
- - - - - - - - - - - - - -

En, in één moeite,

De troubadour

Hij zat zo boordevol muziek
Hij zong voor groot en klein publiek
Hij maakte blij melancholiek, de troubadour

Voor ridders in de hoge zaal
Zong hij in stoere, sterke taal
Een lang en bloederig verhaal, de troubadour

Maar ook het werkvolk uit de schuur
Hoorde zijn lied vol avontuur
Hoorde bij het nachtelijk uur
De troubadour, de troubadour

En in de herberg van de stad
Zong hij een drinklied op het nat
Voor wie nog staan kon en wie zat
De troubadour, de troubadour

Lai la la lai la la

Hij zong in 't klooster stil zijn lied van een mirakel dat geschiedt
Ook als geen mens het wonder ziet, de troubadour
Van vrouwen in fluweel of grijs zong hij de harten van de wijs
Zijn liefdeslied ging mee op reis, de troubadour

Hij zong voor boeren op het land
Een kerelslied van eigen hand
Hij was van elke rang en stand
De troubadour, de troubadour

Zo zong hij heel zijn leven lang
Zijn eigen lied, zijn eigen zang
Toch gaat de dood gewoon zijn gang
De troubadour, de troubadour

Toen werd het stil, het lied was uit
Enkel wat modder tot besluit
Maar wie getroost werd door zijn lied
Vergeet hem niet
Want hij zat zo boordevol muziek
Hij zong voor groot en klein publiek
Hij maakte blij, melancholiek, de troubadour

Lai la la lai la la

David Hartsema (1925-2009), gezongen door
Lenny Kuhr (°1950) op het Eurosongfestival 1969:



Lies schreef:
Afbeelding

DE SCHELP


Dit leek álles aanvankelijk : de schoot
van de zee was beschermend en groot,
zij vergaf dat hij klein was en broos,
zij maakte zo zorgeloos
en verrukkelijk ongewis.
Maar nu moet hij zijn wat hij is :
voltooid, aan het licht gebracht,
alleen, met een naam en een macht.
En hij parelt ; een laatste drop
vangt in hem alle schittering op.
En hij zingt in zijn welvingen voort
wat hij in de zee heeft gehoord.

Nu ligt hij in zijn volle bestaan,
nu moest iemand stil blijven staan,
een vrouw, een klein kind misschien,
die zich over zou buigen en zien
de kleuren in vorm en hart ;
die zou horen, verrast en verward,
zijn lied, het geheim geruis ;
die hem meenemen zou naar een huis.

Als ik niet word geraapt aan het strand,
niet nieuw word in een nieuwe hand,
niet méér mag zijn dan dit ;
van vlamrood doorvlogen wit,
niet zing aan een ander oor
wat ik in deze wijdheid hoor, -
laat een wereldvreemde hand
mij dan redden uit dit zand,
mij bewaren voor wind en wee
en mij terugwerpen in zee.


Michel van der Plas (1927)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

Ook de Duitse minnezangers beoefenden de hoofse liefdespoëzie.

Heinrich Heine (1797-1856) zag ze zo:

DIE MINNESÄNGER

Zu dem Wettgesange schreiten
Minnesänger jetzt herbei;
Ei, das gibt ein seltsam Streiten,
Ein gar seltsames Turnei!

Phantasie, die schäumend wilde,
Ist des Minnesängers Pferd,
Und die Kunst dient ihm zum Schilde,
Und das Wort, das ist sein Schwert.

Hübsche Damen schauen munter
Vom beteppichten Balkon,
Doch die rechte ist nicht drunter
Mit der rechten Lorbeerkron.

Andre Leute, wenn sie springen
In die Schranken, sind gesund;
Doch wir Minnesänger bringen
Dort schon mit die Todeswund'.

Und wem dort am besten dringet
Liederblut aus Herzensgrund,
Der ist Sieger, der erringet
Bestes Lob aus schönstem Mund.

Illustratie: ‘Manessische Liederhandschrift’, Universiteitsbibliotheek Heidelberg


Joris van Rode schreef:
Afbeelding


DE ZWERVER


Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van ‘t avonddorp, dat daar verlaten ligt.

Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.

Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.


Jan van Nijlen (1884-1965)


Lies schreef:
Afbeelding

ZEE


Ontegensprekelijk de zee met zoveel stemmen
versmacht in schuimsel uit haar ingewand
en op de grom der golven gelijk gemmen
koralen meegevoerd tot op het zand

met algen ademend tussen de schelpen.
De vogels waden langs de vloedlijn voort
en schreeuwen woedend uit hun kleine bekken
éénlettergrepig soms één enkel woord.


Anton van Wilderode (1918-1998)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

WEERKEREN

Als een reuzensneeuwkristal
hangt de zon te schitteren
tussen de wolken, boven de bergen,
waar een eenzame klimmer
zoekt naar zijn ultieme beeld.
Alleen de zon vindt haar wederhelft
naast de wolken in het meer.
Zij ziet hoe elk seizoen haar gezicht
ook aan de omgeving
een nieuwe kleur geeft.

Bloemen met pluisbol
tussen sierlijke halmen
staan stil te kijken
aan de oever van het kratermeer
waaruit een warme wolk ontspringt.

Met de mogelijkheid tot herinneren
zijn we naar huis gegaan.
Om telkens weer te keren.

Ina Stabergh (°1945)


Lies schreef:
Afbeelding


O kinders van de locht,
gesneeuwde blommigheden;
o sterrenpulver, fijn
gevijlsel van krystaal;
zo teêr dat, schaars gelijfd,
gij weg zijt en verleden,
zohaast ik, waar gij valt,
u volge en adem haal
te roekloos! Winterdonst,
die zichtbaar zijt in ’t spelen
der zonnekrachten, niets
en evenaart u hier,
’t en zij… ‘k moet hoger op,
zal ik een beeld u stelen,
‘k moet door de wolken heen,
tot in den hemel schier!


Guido Gezelle (1830-1899)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

Spleen

Laag hangt een groot en toch gering verdriet.
Het leven is wel mooi en ook wel leelijk.
Men kan elkaar liefhebben en ook niet.
'k Neem wat ik vind en wat ik heb dat deel ik.

't beteekent niets. Noem het regen op de wegen,
Seconde' in 't uur of dagen in de maand.
Waarom ga je niet dood? Daar is niets tegen.
Een stem, nooit zwijgend, steeds om stilte maant.

Ik wil wel geven, ik wil ook wel nemen,
Maar ik verlang teveel en ben niets waard.
De last van steeds aanzwellende problemen
Drukt mij en licht mij op, leeg en bezwaard.

Milde, meedoogenlooze Parcen, schikt me in de
Zinlooze weefsels... Ik kan niet kiezen.
'k Heb niets dan angst. Kan ik me ooit verliezen,
Blijf ik onsterflijk, steeds stikkende?

J. Slauerhoff (1898-1936), Serenade, 1930


Lies schreef:
Afbeelding


TROOST DER RIVIER


In droefenis een zuiv're toeverlaat,
o zilveren rivier, waart gij het meest, -
gij zijt de wel van helderheid geweest,
die spiegeldiep, mijn vragen heeft verzaad.

Want wie u trouw blijft, weet hoezeer geneest
het peinzen, dat bij u te rade gaat, -
en zoekt en buigt zich over, tot hij leest
de zin, die in uw stroom geschreven staat.

Wat bleef van opstand aan uw oeverbocht?
wat kleine tranen om een klein verdriet,
verwaaid. - Het land rust mild en wijd.

Dan heeft de oogopslag zijn rijk gezocht, -
en 't eindeloos blinken van uw stroomgebied
omvat hij in een klare zekerheid.


Ida Gerhardt (1905-1997)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

WINTERDAG

Stad: het is tijd. Winter is halverwege,
smeltwater mengt met miezerige regen,
de nieuwe dag brengt kille tegenwind.

Het zou in één keer zomer moeten zijn,
vol van geloof in helderlichte dagen
die stomme tegenspoed zullen verjagen,
mogen beschermen tegen hoon en pijn.

Wie hier niet thuis geeft, kan hier ook niet wonen.
Wie hier alleen staat, komt niet meer vooruit,
zal moeten wachten, waken, deemoed tonen
en op de hoge muur waarop hij stuit
zijn naam uitwissen als de wolven komen.

Joop Leibbrand (°1943), Waterpas, 2010


Lies schreef:
Afbeelding


WINTERDAG


Rijp op het gras. De sloot gesteven, kraakt.
Herinnering beslaat soms meer tijd dan er was.

Februari, ik ben tien. Pas als ik groot ben oud.
Vertrouwd de polders zover ik ze kan zien.

Al wat ik voel staat om me heen.
Ik kijk en trek de lijnen daar omheen
van wat ooit tekening zal zijn:

winter, velden, hier de sloot.
Dat kind ben ik. Wat was ik klein
en nu ik er naar omzie groot.


Johanna Kruit, geb 1946
uit: "Omtrent het getij"


Lies schreef:
Gisteravond is de Poolse dichteres Wislawa Szymborska (1923) in haar woonplaats Krakau, Polen, overleden, een zachtmoedige en sceptische dame.


Afbeelding

HET KORTE LEVEN VAN ONZE VOOROUDERS

Slechts weinigen haalden de dertig.
De ouderdom was het privilege van stenen en bomen.
Een kindertijd duurde even kort als een wolvenjeugd.
Men moest voortmaken, het leven leven
voor de zon zou ondergaan,
voor de eerste sneeuw zou vallen.

Dertienjarigen die kinderen baarden,
vierjarigen die vogelnesten in het riet opspeurden,
twintigjarigen die de jacht aanvoerden –
voor ze er goed en wel waren, waren ze al weg.
De eindjes van de oneindigheid groeiden snel aan elkaar.
Heksen maalden hun toverspreuken
met nog alle tanden van de jeugd.
Onder vaders oog werd een zoon man,
onder grootvaders oogkas werd de kleinzoon geboren.

Ze telden hun jaren overigens niet.
Ze telden hun netten, potten, hutten, bijlen.
De tijd, zo royaal voor elk sterretje aan de hemel,
stak naar hen een bijna lege hand uit
en trok deze snel terug, alsof hij er spijt van kreeg.
Nog een stap, nog twee,
langs de glinsterende rivier
die aanstroomde uit het duister en in het duister vervloog.

Er was geen ogenblik te verliezen, geen vraag
die uitstel duldde, niets wat zich later openbaarde,
als het niet tijdig werd ervaren.
De wijsheid kon niet wachten tot ze grijze haren kreeg.
Ze moest helderzien, voor ze helder kon zien,
en elke stem horen alvorens hij weerklonk.

Goed en kwaad –
ze wisten er niet veel van, maar alles:
wanneer het kwaad triomfeert, blijft het goede verborgen;
openbaart het goede zich, dan ligt het kwaad op de loer.
Het een noch het ander is te overwinnen
of onherroepelijk op afstand te houden.
Daarom komt bij vreugde altijd een zweem van angst,
Ontbreekt het bij vertwijfeling nooit aan stille hoop.
Ook al is het leven lang, het zal altijd kort zijn.
Te kort om er nog iets aan toe te voegen.


Lies schreef:
Afbeelding


SOMMIGEN HOUDEN VAN POËZIE


Sommigen -
ofwel niet allen.
Zelfs niet de meerderheid van allen, maar de minderheid.
De school waar het moet en de dichters zelf
niet meegerekend,
zullen dit er ongeveer twee op de duizend zijn.

Houden van -
maar van kippensoep met vermicelli kun je ook houden,
en van complimenten en de kleur blauw,
van een oud sjaaltje,
van je verzetten,
van de hond aaien.

Poëzie -
alleen, wat is poëzie eigenlijk.
Op deze vraag is al
menig weifelend antwoord gegeven.
Maar ik weet het niet en daaraan houd ik me vast
als aan een reddende leuning.


Wislawa Szymborska (1923-2012)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

GINKGO BILOBA


Dieses Baums Blatt, der von Osten
Meinem Garten anvertraut,
Giebt geheimen Sinn zu kosten,
Wie's den Wissenden erbaut.

Ist es Ein lebendig Wesen,
Das sich in sich selbst getrennt,
Sind es zwey die sich erlesen,
Daß man sie als Eines kennt.

Solche Frage zu erwiedern
Fand ich wohl den rechten Sinn,
Fühlst du nicht an meinen Liedern
Daß ich Eins und doppelt bin.


J. W. von Goethe (1749-1832), geschreven op 15 september 1815 voor Marianne von Willemer.


Lies schreef:
Afbeelding

DOOI


De schaatsers kris en krassend op het ijs
de tippelsprintjes van een spreeuw:
wat anders wegijlt blijft nu liggen
stil veldje vol tekens in de sneeuw

Een blauwdruk van immens gescharrel
half afgemaakt in weggevlogen taal
zo vormden vlokken dalend onder nul
de grond voor een verhaal dat op het punt
van pointe in dooi uiteenvalt en weer kaal


J. Bernlef (H.J. Marsman), geb. 1937


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

Kindervrage

In den hemel staan de sterren
Als de kudden in de verre
Somber overwolkte heide,
Waar zij grazend zich verspreiden
Voor 't verschiet.

Hoe komt het dat zij niet verdwalen?
Wel is Maan een strenge herder,
Maar de hond die ze, als ze verder
Gaan dan mag, terug moet halen,
Is er niet.

Waarom gaan ze dan niet zoeken
Uit den hemel, in de hoeken
Van 't heelal, wat zich daarachter
Mag verschuilen, waar geen wachter
Hun verbiedt?

Waarom zijn ze bang gehoorzaam,
blijven ze in kudde' er voor staan?
Als de maan met loome stralen
Hen toch wel niet in kan halen,
Waarom gaan ze niet dwalen,
Waarom niet?

J. Slauerhoff (1898-1936)


mallemeid schreef:
Afbeelding


WACHTERSWONING

voor Grietje Krans
* 14 januari 1948, Amsterdam
† 23 september 2007, Amsterdam

Vanaf de wachterswoning zag je hoe de sporen
van de passanten, van je man, je kind, de trein
zich evenwijdig in verdwijnpunten verloren
en je bleef achter als een wachter langs de lijn.

In later jaren is alleen nog maar te horen
hoe intercitytreinen zich als een refrein
met vaste intervallen door de stilte boren
zonder te stoppen; het station is veel te klein.

Je legt een eenzaam oor tegen de rail en hoort
het zachte gonzen van een trein die nooit zal komen.
Dan sta je op en zet op tijd een stap opzij

voor wat maar niet voorbij wil gaan. En ver voorbij
een klein perron waar nooit meer afscheid wordt genomen
dendert de trein die nooit vertrekken zal nog voort.

Catharina Blaauwendraad 2007
(uit eenzame uitvaart)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

Winters wentelen

Voelt gij ook het winternat
dat doordringt onderhuids
wanneer ge mateloos afgemat
de nacht intrekt naar huis

koplampen zoeken een wilde kat
gij weet toch van verlatenheid
rond de Bundershoeve en het gat
voorbij de beek, een vergetelheid

onzeker maar oprecht verblijd
als de tegenligger u ontwijkt
en gij de regen zijt doorgestapt
kan niets nog striemen, zijt ge nat

kruip dan in een warm bad
luister even naar de zang
dit hemelswater druppelt – schaakmat –
welbehagen in uw gedachtengang

Erna Muermans (°1951)


Lies schreef:
Afbeelding


ZEEHOND


Er zijn zo van die dagen. De zee loodgrijs,
haar oude nukkige zelf, weigert met ons te
praten. Geen rechtuit brullende branding,
geen rustig gefluister. Een koppig, alle kanten
op gaand tegenspartelen. We komen er niet in.

Maar geheel onverwacht verschijnt ons een
boodschapper. Op tien meter van het strand
duikt zijn besnorde gelaat uit het verborgene
op. Kijkt ons ernstig aan, toont zijn glanzende
buik, wuift kort met zijn hand. Dit is het teken

dat nog niet alles verloren is.


Marc Tritsmans (geb. 1959)
Uit: “Man in het landschap”


Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#13  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:32 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Sonnet

Zoo als, temidden van de zwart befloerste nacht,
Als in den hemel sombre donkre wolken zijn,
De teere maagdelijke maan in kuischen schijn,
In lichte witheid droomt, gerust en zacht,

Zoo is er soms temidden van de macht
Der zondenzware sfeer, die weegt op ‘t aardsche zijn,
Een enkel wezen zoo volkomen rein,
Dat ‘t nooit in droefheid aan d’allomme zonde dacht.

De dichte wolken dringen weer bijeen
En dooven, door hun donker, ‘t zachte licht,
Dat even maar, zoo hel en lieflijk scheen.

Heel donker is weer de levensnacht; gezwicht
Voor ‘t zware duister is het zwakke licht;
Het kon niet blijven schijnen, zoo alleen.

J. Slauerhoff (1898-1936)


Lies schreef:
Afbeelding

SCHADUW EN LICHT


Gij kunt, een winter lang, geborgen in uw stenen
woningen, vragen: heeft het menslijk lot
een reden van bestaan of is er gene,
en is alles maar: dood in de pot?

Maar als het groene voorjaar nadert op zijn tenen
door groene velden en zacht fluit en spot
met alle raadsels, alle fenomenen,
als de aarde licht wordt, kinderlijk en zot,

wat kan 't u schelen of iets blijft verborgen
van het geheim waarmee ge uw dromen voedt?
Het licht zal verder voor genezing zorgen.

Zie hoe de naakte perzikboom verbloedt
in roze luister in den frissen morgen!
Hou je gedekt, wees kalm, de zon is goed.


Jan van Nijlen (1884-1965)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
La fin de la journée

Sous une lumière blafarde
Court, danse et se tord sans raison
La Vie, impudente et criarde.
Aussi, sitôt qu'à l'horizon

La nuit voluptueuse monte,
Apaisant tout, même la faim,
Effaçant tout, même la honte,
Le Poète se dit : " Enfin !

Mon esprit, comme mes vertèbres,
Invoque ardemment le repos ;
Le coeur plein de songes funèbres,

Je vais me coucher sur le dos
Et me rouler dans vos rideaux,
Ô rafraîchissantes ténèbres ! "

Charles Baudelaire (1821-1867)

- - - - - - - - - - - - - - - - -

Het einde van de dag [/ b]

Onder een bleek licht loopt,
Danst en wringt in zinloze bochten
Het Leven brutaal en luidruchtig.
Evenals, van zodra aan de horizon

De wellustige nacht stijgt,
Alles kalmerend, zelfs honger;
Alles wissend, zelfs schaamte,
De dichter zegt: "Eindelijk!

Terwijl mijn geest, als mijn lijf,
Vurig vraagt naar rust;
Het hart vol sombere dromen,

Ga ik op mijn rug liggen
En me oprollen in uw gordijnen,
O verfrissende duisternis!"


Lies schreef:
Afbeelding


[b]WANNEER?



In de toppen van de Maartse bomen
waaien wijzingen van het lot
niemand, die ze nog kan lezen
niemand, die hun taal verstaat
toch moet het zo altijd wezen
niemand weet waarheen hij gaat
zachtjes wiegen wezensheden
met wat ééns gebeuren zal – of niet
maar wat altijd, áltijd tóch blijft komen
van wat lang voorbij al was
en de bomen zijn ervan
misschien ééns, in verre tijden –
wolken, die opkomen en vergaan
die passeren langs wat was en zal –
mogen mensen iets vernemen
van wat aldoor zachtjes wachtte
van wat aldoor zachtjes sliep in oude duinen
aldoor zo oneindig ver en tóch –
wat jonge paarden lang al wisten
en de merel trippelt het op ’t plaatsje – nu


J.C. van Schagen (1891-1985)
Uit: “Wat dit blijfsel overbleef”


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
Einde van een dag.

Ik hoor nog wat snaren
in een verte schoon bespelen.
Nog zijn daar eens mijn haren
die zacht mijn open ogen strelen.

Dan worden vertikale lijnen vlak
en helle kleuren zwart.
Waar gans de dag een lach ontbrak
baart nacht een blijdschap in mijn hart.

Nog hoor ik wat zwarte dixie-land,
gedempt een grauwe stem in ’t stille van de nacht.
En mét het leed van een zanger
die ik niet ken,
sluit ik mijn moede ogen zacht...

Robert Hoozee (1949-2012)


Lies schreef:
Afbeelding


LICHT VAN DE LENTEMAAND


Licht van de lentemaand als vederdons
plotseling onverwacht van uit het zuiden
tegen de vierkantjes van zoveel ruiten

lokt mij die winterlijk beweeg naar buiten
de dag in van zoet groen zilver en brons.


Anton van Wilderode (1918-1998)
Uit: "En het dorp zal duren"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

Nacht

De kleine maan werd door den nacht verslonden.
De sterren gingen onder in de wolken.
Alleen, laag aan de aarde, tracht te branden
Mijn gele lamp. In 't donker schuilen dorpen.
Achter gesloten blinden slapen allen.
Ik waak alleen. Waarom als allen slapen?
Waarom ik, die zal sterven met de anderen?
Ik teeken de karakters zonder eerbied.
Verteren zal mijn hand, die schrijft en 't blad
Dat op zich neemt de klacht van dezen nacht.
Het regent redeloos en droef. Vanwaar,
Waarom en waartoe zijn mij dezen reeg'len
Ontvallen .........………………………?

J. Slauerhoff (1898-1936)


Lies schreef:
Afbeelding

huren aan zee
om te kijken naar oneindigheid
naar water, dat komt en gaat
dat reikt en dan weer afziet van
dat bijna, bijna als een spel

naar wandelaars tegen de wind
en hun geluidloos roepen

om huiswaarts te keren, beloften
in de wind te slaan en brieven
te schrijven, wanhopig en misschien
vermoeid maar hopend
op een antwoord op begrip
of onbegrip


Miriam Van hee, geb. 1952
Uit: "Het verband tussen de dagen"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

Lentedicht

Watervlooien dansen hun ballet
ze trippelen elegant
een wimperwenende verblinding
in hun parelende bed

zacht tere kringen trekkend
in hun smetteloze vlak
drijven hun ambities hen
als wazige krachten,
in die heerlijke helderheid van blauw

onder die twinkeling
van waterige diamant
glipt gevaar voor verorbering

toch dansend, steeds op nieuwe drempels
hun welzijn in overweging
elke sprong, een innovatie
eenvoudig, oogstrelend, nieuwsgierig

een droom in gouden uitvoering
zon streelt hen als een God
dit beeld kleeft op mijn oogvlies
vandaag werd lente herboren

Sabine Luypaert (°1969), 2005


Lies schreef:
Onderstaande foto is van Henri van Weert , en hij schrijft: Deze foto maakte ik op 2e Paasdag 2008. Tijdens het fotograferen werd ik overvallen door een felle sneeuwbui. Na het optrekken van de bui kwam er een strakblauwe hemel tevoorschijn. In de regenplassen weerspiegelden de oude populieren, die hier ooit massaal werden geplant voor de klompenindustrie. Aan de rand is de sneeuw nog zichtbaar. Wie weet wat ons nog te wachten staat.... :)



Afbeelding


APRIL


Poplier wat teen die bloute tril
jy styg so loodreg strak en stil
bo die ontnugtering van April:

die oog, ligwaarts, kan skaars vermoed
hoe diep jou wortels web en wroet
om hierdie ewewig te voed.

Die roes wat taklangs sluip sal weer
vlamtongend al jou glans ontkleur
en jou tot stram skelet verteer

en winterlank sal hoog en heg
die raam staan wat jou twye vleg
soos iets wat duursaam is en eg.

Die hart, deur sóveel skyn bedrieg,
weet: alles wat getooi is lieg;
hy kry jou langsaam dubbel lief,

hernu die winteroue eed
wat hom moet dek teen alle leed

Maar wie kan nou al raai wat uit
Septembersotheid mag ontspruit?


Elisabeth Eybers ( 1915-2007)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding
IN MOAIE RIGEL

De wolkens glêzewaskje God syn stjerrekiker,
dat fûn it mantsje wol in moaie rigel.
Ja, it mantsje woe graach dichter wurde,

hy rûn al op ‘e strjitte mei in skrift
en seach mei artistike eagen yn it rûn.
It ûleboerd is aaisiik en bline goaden

wâdzje troch bloed fan in stjerrende sinne.
Triennen wiene tichteby doe’t er dizze wurden
fergees trochkrige fan de hegere machten…

Dichters dy sûpe in soad en binne oan ‘e drugs,
dat it mantsje gie nei kofjesjop en kroech.

Net ferjitte dat er iensum wêze moast!

Cornelis van der Wal (°1956)

- - - - - - - - - - - - - - - -

EEN MOOIE REGEL

De wolken glazenwassen Gods sterrenkijker,
dat vond het mannetje wel een mooie regel.
Ja, het mannetje wilde graag dichter worden,

hij liep al over straat met een schrift
en keek met artistieke ogen in het rond.
Het uilenbord is ongedurig en blinde goden

stampen door bloed van een stervende zon.
Tranen waren dichtbij toen hij deze woorden
gratis doorkreeg van de hogere machten…

Dichters die drinken veel en zijn aan de drugs,
dus het mannetje ging naar coffeeshop en kroeg.

Niet vergeten dat hij eenzaam wezen moest!


Lies schreef:
Afbeelding


OP EEN GEKLEURDEN STUITER


Vaak heb ik aan uw kleur'gen roem
Als op toernooi mijn kracht verspeeld,
O ingesmolten vrouwenbeeld,
Dat een gesteeld loslipp'ge bloem

Zoo dichtbij langswierp en toch zoo
Verhard en onbereikbaar was.
Haar vlag trok spottend heen door 't glas,
Haar lach weerklonk bij ied'ren stoot.

Zoo werden sindsdien vrouw na vrouw
Mij even ongenaakbaar wreed
Als 't wazig beeld in 't glazen kleed
Van paars en geel en vlammend blauw.


Simon Vestdijk (1898-1971)


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

Het kind dat wij waren


Wij leven 't heerlikst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder's nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen,
verwondering en teerste vriendlikheden.

Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wijde handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.

't Eenzame, kleine kind, zelf langverdwenen,
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen,
tussen de dode heren en mevrouwen.


E. du Perron (1899-1940)


Dick schreef:
Een lied in het Grunnings van de folk- en blueszanger Ede Staal, die zo genadeloos wordt geboycot door 'Hilversum'.

De Noordzee lag te slapen
Wie kwamen terug oet Kiel
En in de verte zag ik
De kroanen van Delfziel

De zun glee langzoam onder
Alsof e in 't wotter viel
En alle meeuwen zongen
Wie goanen weer noar Delfziel

'k Heb overaal al zwurven
En voak zo'n zet van hoes
Ik ken de krougen oet mien kop
Mor naargens vuil 'k mie thoes

Al snaren ze over Hamburg
Hou goud dat 't doar beviel
Ik wil 't laifst veur anker
In d'Hoaven van Delfziel

De loods dij bleef mor proaten
't Viel hom hail nait op
Ik docht nait meer aan boakens
'k Haar aans wat aan de kop

Was ook op weg noar hoes
En schipper stak zien haand op
Vanoavend bivve thoes

'k Heb overaal al zwurven
En voak zo'n zet van hoes
Ik ken de krougen oet mien kop
Mor naargens vuil 'k mie thoes

Al het mien boot gain stuurhut
Gain mast en ook gain kiel
Ik wil mit die veur d'anker
In d'Hoaven van Delfziel.

Afbeelding


Dick schreef:
Van de LP Miel Cools zingt Ernst van Altena, maar bij dit dit nummer is de tekst van Bert Broes.

Groot-Nederlandse ballade

Als ik het zie, die eindeloze lintbebouwing
Van Spa tot Hasselt en van Tienen tot aan Gent
En als ik voel hoe in kleinsteedse denkvernauwing
De Vlaming altijd door zijn eigen straatje rent
Als ik per auto over de kasseien martel
Met om de duizend meter een gekneusde band
Dan denk ik: Vlaanderen mag dan lustig zijn en dartel
Maar Lieve Heer geef mij het nette Nederland

Als ik ze zie, die eindeloze blokkendozen
Van Weesp tot Arnhem, van Terneuzen tot Terlet
En als ik merk hoe uitgekauwd en uitgeplozen
De Nederlander altijd op zijn buurman let
Als ik ze zie, die tuintjes zonder avonturen
Gras zonder onkruid en liguster langs de rand
Dan denk ik: Nederland mag schoon zijn voor de buren
Maar Lieve Heer geef mij het dolle Vlaanderenland

Als ik de Vlaming vol van bier naar huis zie keren
De gang te wankel en de tong wat al te luid
Als ik hem bitter humorloos zie opmarcheren
Achter de klauwaard met te militair geluid
Als ik ze hoor, de Vlaamse grappen al te drollig
Vaak langs, vaak op, en heel vaak ook voorbij de rand
Dan denk ik: Vlaanderen mag dan driftig zijn en lollig
Maar Lieve Heer geef mij het kalme Nederland

Als ik ze zie, de Nederlanders in hun kerken
Hervormd, gereformeerd, nazaten van Calvijn
Met hun gezichten stijf als witgekalkte zerken
En met hun zekerheden uitgemalen fijn
Als ik ze galmende hun waarheid hoor verkonden
Nooit uit de nette plooi en nimmer uit de band
Dan denk ik: Nederland mag vrij zijn van de zonde
Maar Lieve Heer geef mij het zondig Vlaanderland

Oh Lieve God geef ons een kilo Vlaamse blijheid
Een kilo trouw en plichtsbesef uit Nederland
Dan mengen wij dat zelf in onze eigen vrijheid
Tot vriendschap zonder oog om oog en tand om tand

Hier op CD te bestellen, de naam fonos heb ik bedacht!
http://www.fonos.nl/sites/default/files ... .inlay.jpg


Dick schreef:
Voor mij één van de mooiste na-oorlogse Nederlandstalige liederen.
Het had een haar gescheeld of deze opname was gewist.
Versie 1968

versie 2011


Meester Prikkebeen

Hij staat in de sneeuw aan de poort van de stad
En prikt de dagen van december op z`n hoed
Hij fluit z`n pluche lapjeskat
Want hij heeft last van muizenissen die nesten maken in z`n baard.
Maar `t dier laat hem altijd mooi fluiten
`t dier preekt ernstig voor de vissen
Gevallen van een haringkar.
Hij lokt de dagen met z`n lied
De dagen vliegen, hij blijft staan
Waar komt hij vandaan?
Hij koestert de dagen van rood cellofaan
Van glitter en watten en sterrenpapier
Geen mens kent zijn naam
Geen mens kent zijn naam.
Meester prikkebeen
Meester prikkebeen
Mensen lopen langs hem heen
Hij blijft alleen meester prikkebeen.
Lantaarnopstekers gaan stil door de nacht
Hij speelt de draailier voor hun harige gezicht
Slaap gerust, sluimer zacht
Een paladijn met zijn soldaten blijft even luisteren naar hem.
Toch blijft z`n schotel leeg, ze lachen
Alleen een meisje blijft staan praten
Een mager meisje van plezier.
Waarom speel jij geen ander lied
Je ogen en je mond zijn koud
Ik weet geen refrein
Ik draag op mijn borsten een slutel van goud
Het licht in m`n oog is een ster die verschiet
Zo kan ik niet zijn.
Meester prikkebeen
Meester prikkebeen
Mensen lopen langs hem heen
Hij blijft alleen meester prikkebeen.
Ze danst in de sneeuw en ze speel tamboerijn
Terwijl de lapjeskat heel stil de passie preekt
Het geurt naar brood en warme wijn
En in de sneewnacht bij de ballen verwachten ze `t nieuwe jaar.
De laatste nacht komt aangevlogen
De laatste slagen zijn gevallen
`n vuurpijl spuit de hemel in.
En morgen verdwijnen ze over het land
Morgen verdwijnen ze over het land
Het nieuwe jaar is wijd en groen
Een bloemenwei is leeg en groen
Nooit zien ze hem weer
Nooit zien ze hem weer
Wie weet wat de dagen
Dit jaar zullen doen
Wie weet wat de dagen dit jaar zullen doen
Zij speelt met de kat
Zij speelt met de kat
En hij zwaait met zijn hand
En hij zwaait met zijn hand.
Vaarwel en tot ziens
Vaarwel en tot ziens
Misschien tot ziens
Misschien tot ziens.
Meester prikkebeen

Muziek: Boudewijn de Groot
Tekst: Lennart Nijgh.


Dick schreef:
Boven Gent rijst, eenzaam en grijsd (*)
't Oud Belfort, zinbeeld van 't verleden
Somber en groots, steeds stom en doods
Treurt d' oude Reus op 't Gent van heden
Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt
Zijn bronzen stemme door de stede

Trilt in uw graf, trilt Gentse helden
Gij, Jan Hyoens, gij, d' Artevelden
Mijn naam is Roeland, 'k kleppe (**) brand
En luide (***) storm in Vlaanderland

Een bont verschiet schept 't bronzen lied
Prachtig weer tovert mij voor d' ogen
Mijn ziel erkent het oude Gent
't Volk komt gewapend toegevlogen
't Land is in nood: Vrijheid of dood
De gilden komen aangetogen

Ik zie Jan Hyoens, 'k zie d' Artevelden
En stormend roept Roeland de helden
Mijn naam is Roeland, 'k kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland

O heldentolk, o reuzenvolk
O pracht en macht van vroeger dagen
O bronzen lied, 'k weet uw bedied
En ik versta 't verwijtend klagen
Doch wees getroost: Zie, 't oosten bloost
En Vlaandrens zonne gaat aan 't dagen

Vlaandren die leeuw, tril, oude toren
En paar uw lied met onze koren
Zing: ik ben Roeland, 'k kleppe brand
Luide triomf in Vlaanderland

http://nl.wikipedia.org/wiki/Klokke_Roeland


Dick schreef:
Vabdaag werd Bob Dylan met de Presidential Medal of Freedom. De medaille is de hoogste onderscheiding die aan burgers wordt gegeven door de Amerikaanse regering

De 70-jarige Dylan, die eigenlijk Robert Allen Zimmerman heet, begon zijn muzikale carrière medio jaren vijftig, toen hij nog op de middelbare school zat. De legendarische zanger werd bekend door hits als Like a Rolling Stone, Hurricane en Desire. De single Like a Rolling Stone stond eerder op de eerste plaats van de lijst van muziek, film, televisieprogramma's en boeken die de wereld hebben veranderd.

Ook oud-minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright en astronaut John Glenn worden onderscheiden. President Barack Obama reikt de medailles binnenkort uit in het Witte Huis. 'Zij hebben ons uitgedaagd, ons geïnspireerd en van de wereld een betere plek gemaakt', zegt de president in een verklaring over de laureaten.
Volkskrant.

Ik heb Dylan éénmaal zien optreden, Hoewel zijn teksten zeker tot de moderne poëzie kan worden gerekend houdt ik niet van zijn stem, een beetje een vervelende piepstem. Mijn chef heeft hem een jaar of vijf geleden geïnterviewd en hij noemde hem een vervelend chagrijnige oude man.
Maar tekstueel gezien heeft hij de popgeneratie 1963 - 1970 sterk beïinvloed.

Like a rolling stone


Once upon a time you dressed so fine
You threw the bums a dime in your prime, didn't you ?
People'd call, say, "Beware doll, you're bound to fall"
You thought they were all kiddin' you
You used to laugh about
Everybody that was hangin' out
Now you don't talk so loud
Now you don't seem so proud
About having to be scrounging for your next meal.

How does it feel
How does it feel
To be without a home
Like a complete unknown
Like a rolling stone ?

You've gone to the finest school all right, Miss Lonely
But you know you only used to get juiced in it
And nobody has ever taught you how to live on the street
And now you find out you're gonna have to get used to it
You said you'd never compromise
With the mystery tramp, but know you realize
He's not selling any alibis
As you stare into the vacuum of his eyes
And say do you want to make a deal?

How does it feel
How does it feel
To be on your own
With no direction home
Like a complete unknown
Like a rolling stone ?
You never turned around to see the frowns on the jugglers and the clowns
When they all come down and did tricks for you
You never understood that it ain't no good
You shouldn't let other people get your kicks for you
You used to ride on the chrome horse with your diplomat
Who carried on his shoulder a Siamese cat
Ain't it hard when you discover that
He really wasn't where it's at
After he took from you everything he could steal.

How does it feel
How does it feel
To be on your own
With no direction home
Like a complete unknown
Like a rolling stone ?

Princess on the steeple and all the pretty people
They're drinkin', thinkin' that they got it made
Exchanging all precious gifts
But you'd better take your diamond ring, you'd better pawn it babe
You used to be so amused
At Napoleon in rags and the language that he used
Go to him now, he calls you, you can't refuse
When you got nothing, you got nothing to lose
You're invisible now, you got no secrets to conceal.

How does it feel
How does it feel
To be on your own
With no direction home
Like a complete unknown
Like a rolling stone ?


Dick schreef:
George Brassens

Le Gorille

C'est à travers de larges grilles, que les femelles du canton
Contemplaient un puissant gorille, sans souci du qu'en-dira-t-on
Avec impudeur, ces commères lorgnaient même un endroit précis
Que, rigoureusement ma mère m'a défendu de nommer ici
Gare au gorille!

Tout à coup la prison bien close où vivait le bel animal
S'ouvre, on n'sait pourquoi Je suppose qu'on avait du la fermer mal
Le singe, en sortant de sa cage dit "C'est aujourd'hui que j'le perds!"
Il parlait de son pucelage, vous aviez deviné, j'espère!
Gare au gorille!

L'patron de la ménagerie criait, éperdu: "Nom de nom!
C'est assommant car le gorille n'a jamais connu de guenon!"
Dès que la féminine engeance sut que le singe était puceau,
Au lieu de profiter de la chance, elle fit feu des deux fuseaux!
Gare au gorille!

Celles là même qui, naguère, le couvaient d'un œil décidé,
Fuirent, prouvant qu'elles n'avaient guère de la suite dans les idées
D'autant plus vaine était leur crainte, que le gorille est un luron
Supérieur à l'homme dans l'étreinte, bien des femmes vous le diront!
Gare au gorille!

Tout le monde se précipite hors d'atteinte du singe en rut,
Sauf une vielle décrépite et un jeune juge en bois brut;
Voyant que toutes se dérobent, le quadrumane accéléra
Son dandinement vers les robes de la vieille et du magistrat!
Gare au gorille!

"Bah! soupirait la centenaire, qu'on puisse encore me désirer,
Ce serait extraordinaire, et, pour tout dire, inespéré!";
Le juge pensait, impassible, "Qu'on me prenne pour une guenon,
C'est complètement impossible" La suite lui prouva que non!
Gare au gorille!

Supposez que l'un de vous puisse être, comme le singe, obligé de
Violer un juge ou une ancêtre, lequel choisirait-il des deux?
Qu'une alternative pareille, un de ces quatres jours, m'échoie,
C'est, j'en suis convaincu, la vieille qui sera l'objet de mon choix!
Gare au gorille!

Mais, par malheur, si le gorille au jeu de l'amour vaut son prix,
On sait qu'en revanche il ne brille ni par le goût, ni par l'esprit
Lors, au lieu d'opter pour la vieille, comme l'aurait fait n'importe qui,
Il saisit le juge à l'oreille et l'entraîna dans un maquis!
Gare au gorille!

La suite serait délectable, malheureusement, je ne peux
Pas la dire, et c'est regrettable, ça nous aurait fait rire un peu
Car le juge, au moment suprême, criait: "Maman!", pleurait beaucoup,
Comme l'homme auquel, le jour même, il avait fait trancher le cou
Gare au gorille!


Dick schreef:
Scott Walker 'Jackie', een uitstekende vertaling door Mort Shuman van Brel's 'Jacky'
Wat een prachtige tekst en net als Jacques Brel gooit Scott Walker zijn ziel en zaligheid in het lied.
Ik heb de biografie van Brel door de Nederlander Maarten Elfers (alias Mohamed el-Fers} gelezen. Opmerkelijk is dat Ernst van Altena, die goed bevriend was met Brel en veel teksten heeft vertaald uit het Frans, Brel ook soms ook moest helpen met de Franse taal.
Fransen en vooral Parijzenaars waren in het begin van zijn carrière niet te spreken over het in hun ogen minderwaardige Brusselse Frans.

Brel

Walker



And if one day I should become
A singer with a Spanish bum
Who sings for women of great virtue
I'd sing to them with a guitar
I borrowed from a coffee bar
Well, what you don't know doesn't hurt you
My name would be Antonio
And all my bridges I would burn
And when I gave them some they'd know
I'd expect something in return
I'd have to get drunk every night
And talk about virility
With some old grandmother
That might be decked out like a Christmas tree
And though pink elephants I'd see
Though I'd be drunk as I could be
Still I would sing my song to me
About the time they called me "Jacky"

If I could be for only an hour
If I could be for an hour every day
If I could be for just one little hour
Cute in a stupid ass way

And if I joined the social whirl
Became procurer of young girls
Then I would have my own bordellos
My record would be number one
And I'd sell records by the ton
All sung by many other fellows
My name would then be handsome Jack
And I'd sell boats of opium
Whisky that came from Twickenham
Authentic queers
And phony virgins
If I had banks on every finger
A finger in every country
And every country ruled by me
I'd still know where I'd want to be
Locked up inside my opium den
Surrounded by some china men
I'd sing the song that I sang then
About the time they called me "Jacky"

If I could be for only an hour
If I could be for an hour every day
If I could be for just one little hour
Cute in a stupid ass way

Now, tell me, wouldn't it be nice
That if one day in paradise
I'd sing for all the ladies up there
And they would sing along with me
And we be so happy there to be
Cos' down below is really nowhere
My name would then be Junipher
Then I would know where I was going
And then I would become all knowing
My beard so very long and flowing
If I became deaf, dumb and blind
(was: If I could play deaf, dumb and blind)
Because I pitied all mankind
And broke my heart to make things right
I know that every single night
When my angelic work was through
The angels and the Devil too
Would sing my childhood song to me
About the time they called me "Jacky"

If I could be for only an hour
If I could be for an hour every day
If I could be for just one little hour
Cute in a stupid ass way


Lies schreef:
Dick schreef:
Een lied in het Grunnings van de folk- en blueszanger Ede Staal, die zo genadeloos wordt geboycot door 'Hilversum'.

(....)

'k Heb overaal al zwurven
En voak zo'n zet van hoes
Ik ken de krougen oet mien kop
Mor naargens vuil 'k mie thoes

(....)


Afbeelding
Ze lagen elkaar niet Dick.

(....)De eerste single werd een mislukking. Hij heette I'm in the blues en kwam uit in 1974. Platenmaatschappij Phonogram had er een feestelijk arrangementje van gemaakt. En waar Ede zich ook niet in kon vinden: voor een televisieoptreden kreeg hij een tekst mee waarin hij zichzelf moest aanprijzen. Hij weigerde en een vermoeide regisseur vroeg of die boer alsjeblieft niet terug naar Groningen kon. Dat deed hij dan maar. Met het geven van Engelse les op de middenschool in Woldendorp was ook niets mis.
Ede kreeg daarna nog een aanbieding uit Hilversum. Of hij niet een cover wilde komen zingen. Dan kreeg bij een gitaar waarop hij niet hoefde te spelen en mocht hij met een mooie cowboyhoed op televisie. "Dat moest ik maar niet doen," zei Ede.

"Hilversum is een muzikale legbatterij," zei hij later in het Nieuwsblad van het Noorden. "Als je niet snel de grootste eieren legt, wacht je het lot van de soepkip."(.....)




Afbeelding


EI


Oögenese. Een royale strooier
is onze Schepper met zijn materiaal.
Een kippeëi lijkt wel zo doodnormaal,
maar bij bekijken wordt het al maar mooier.

Ovaloïde overvolle schaal,
die scheeltrekt om de gele geile dooier.
Een groeier is het kuiken, een ontplooier
van wat in ovo zit al allemaal.

De moederkip zit breeduit op haar broedsel.
De dooier is het kuiken zelf tot voedsel,
wat niet zo is bij een consumptieëi.

Dit mag het schoppen tot een levend schepsel:
het wordt meer wezen en het krijgt meer hebsel.
Er klemt een embryo in u o ei.

Jan Kal (geb.1946)
Uit: "1000 sonnetten"


Joris van Rode schreef:
Afbeelding

Lente

nu de zachte wind
mij streelt
en teder speelt
met wiegelende narcissen
in mijn tuin
nu bloesemgeur en zonneschijn
er zijn voor mij
ik luister blije kreetjes
van een spelend kind
en kwetterende mussen
in de japanse kers
vertellen mij een oud verhaal
de rose bloesempracht
is alleen maar zacht
wat verderop het sterke wit
van appelbloesem
omgeven door de stille rust
der vele groene tinten
van heesters en gewassen
o alles raakt mij aan
het liefste gaat door mij heen
en brengt een stille groet
die ik als verborgen schat
diep in mijzelf bewaar
ik verlang niets meer
alleen maar hier te staan
nu de zachte wind
mij streelt
en de liefde meevoert
in bloesemgeuren

Joop Oversteegen (1900-1994)


Laatst bijgewerkt door WSP op do mei 03, 2012 8:37 pm, in totaal 1 keer bewerkt.

Omhoog
 Profiel  
 
Bericht nummer:#14  BerichtGeplaatst: do mei 03, 2012 8:35 pm 
Offline
lid
Avatar gebruiker

Geregistreerd: do mei 03, 2012 7:53 pm
Berichten: 14
Berichten: Intopic
Dick schreef:
Toen er niets meer dan afbraak overbleef
deed hij de glazen deuren langzaam open
en trad naar buiten en dacht: ik weerstreef
niet meer en zie van hopen en wanhopen
af nu het graf mij wacht. Ik heb geleefd,
gedronken en gegeten wat ik wilde
en alles wat ik in de avond schreef
blijft naast mij.

Dit gedicht is ontleend aan de laatste bundel van Adriaan Roland Holst, die verscheen in het achtentachtigste en laatste levensjaar van de dichter. Het illustreert één van de belangrijkste opgaven van de ouderdom: in het reine komen met het eigen levensproject.

Afbeelding

In mijn dorp is de H.B.S. waar de dichter zijn studie begon, thans het A. Roland Holst College.
Het markante gebouw aan de Schuttersweg brandde in 1991 grotendeels af, maar is gelukkig herbouwd.

Afbeelding

Afbeelding


Dick schreef:
Die kind is nie dood nie
die kind lig sy vuiste teen sy moeder
wat Afrika skreeu skreeu die geur
van vryheid en heide
in die lokasies van die omsingelde hart

Die kind lig sy vuiste teen sy vader
in die optog van die generasies
wat Afrika skreeu skreeu die geur
van geregtigheid en bloed
in die strate van sy gewapende trots

Die kind is nie dood nie
nòg by Langa nòg by Nyanga
nòg by Orlando nòg by Sharpville
nòg by die polisiestasie in Philippi
waar hy lê met 'n koeël deur sy kop

Die kind is die skaduwee van die soldate
op wag met gewere sarasene en knuppels
die kind is teenwoordig by alle vergaderings en wetgewings
die kind loer deur die vensters van huise en in die harte
van moeders
die kind wat net wou speel in die son by Nyanga is orals
die kind wat 'n man geword het trek deur die ganse Afrika
die kind wat 'n reus geword het reis deur die hele wêreld

Sonder 'n pas

Ingrid Jonker


Omhoog
 Profiel  
 
Geef de vorige berichten weer:  Sorteer op  
Plaats een nieuw onderwerp Dit onderwerp is gesloten, je kunt geen berichten wijzigen of nieuwe antwoorden plaatsen  [ 14 berichten ] 

Alle tijden zijn GMT + 1 uur [ Zomertijd ]


Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 2 gasten


Je mag geen nieuwe onderwerpen in dit forum plaatsen
Je mag niet antwoorden op een onderwerp in dit forum
Je mag je berichten in dit forum niet wijzigen
Je mag je berichten niet uit dit forum verwijderen

Zoek naar:
Ga naar:  
Powered by phpBB® Forum Software © phpBB Group
phpBB.nl Vertaling